Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde sub 1],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal (descente en comparitie van partijen) van 18 september 2013,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord,
- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Bij gelegenheid van de pleidooien is akte verleend van de foto’s die bij bericht van 29 oktober 2014 door mr. J.J. Bijkerk namens [appellante] zijn ingebracht.
2.De vaststaande feiten
- [appellante] is eigenaar van een perceel grond te [plaatsnaam], waarop meerdere bedrijfspanden staan, alsmede de door [geïntimeerden] gehuurde en door hun gezin bewoonde woning met 330m2 tuin. Verder wordt circa 6.100m2 van het perceel door [geïntimeerden] gebruikt voor hun loonbedrijf. [geïntimeerden] betalen sinds 1989 aan [appellante] een huurprijs van NLG 450/€ 204,20 per maand en zijn ook geen hogere huur gaan betalen nadat [geïntimeerde sub 1] broer ([de broer]), die aanvankelijk eveneens een gedeelte van de woning huurde, is verhuisd. Geen van beide partijen is een procedure tot aanpassing van de huurprijs begonnen.
- Bij brief van 18 juli 2008 aan geïntimeerde sub 1 (hierna afzonderlijk: [geïntimeerde sub 1]) heeft [appellante] de huurovereenkomst met betrekking tot de woning opgezegd tegen 1 augustus 2009, dit op grond van dringend eigen gebruik en slecht huurderschap (artikel 7:274 lid 1 sub Pro c, respectievelijk sub a BW).
- In een eerder tussen [appellante] en [geïntimeerde sub 1] gevoerde procedure heeft [appellante] in eerste aanleg onder meer een verklaring voor recht gevorderd, dat tussen partijen met betrekking tot de 6.100m2 grond een (afzonderlijke) huurovereenkomst geldt. In eerste aanleg is deze vordering afgewezen. [appellante] heeft ook in dat geval hoger beroep ingesteld en daarop (de grondslag voor) haar eis gewijzigd door te stellen dat het gebruik van de grond bruikleen betreft, in plaats van huur. Deze grondslag is door het hof (Amsterdam, zittingsplaats Arnhem) in zijn eindarrest van 31 juli 2012 verworpen op grond dat [appellante] niet erin was geslaagd om de gestelde bruikleenafspraken te bewijzen.