Uitspraak
1.Het hoger beroep
2.Omvang van het hoger beroep
3.Onderzoek van de zaak
4.Het vonnis waarvan beroep
5.De tenlastelegging
6.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
- verdachte is op 8 april 2005 aangehouden voor de onderhavige feiten. Deze datum kan gezien worden als het begin van de redelijke termijn;
- op 14 april 2006 is verdachte door de rechtbank ’s-Gravenhage van alle feiten vrijgesproken;
- op 25 juni 2007 is door het gerechtshof te ’s Gravenhage, zitting houdend te Arnhem in deze zaak arrest gewezen;
- op 7 februari 2012 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof gedeeltelijk vernietigd en de zaak naar dit hof verwezen;
- op 22 mei 2013 en 17 november 2014 hebben er regiezittingen plaatsgevonden;
- op 5 oktober en 3 november 2015 is de zaak inhoudelijk behandeld;
- op 17 november 2015 wordt arrest gewezen.
[medeverdachte 5] [1] heeft de Hoge Raad de beslissing van het Haagse hof in stand gelaten en het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De beslissing van het hof hield in dat:
de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht en dat alleen al om die reden geen veroordeling kan volgen.
in de eerste plaatsaf dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , (anders dan de verdachte [medeverdachte 5] ) naar het oordeel van de Hoge Raad niet door het optreden van de informant van de CIE zijn gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor zij worden vervolgd.
“Daarbij verdient opmerking dat hetgeen het Hof voorts nog heeft overwogen en in het bijzonder zijn keuze van "de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het OM" teneinde "zowel de CIE als het OM te doordringen van de ernst van de situatie", onvoldoende grond oplevert voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.”)