Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd verdachte vervolgd voor het uitgeven en in voorraad hebben van valse bankbiljetten in samenwerking met anderen. Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk vanwege tekortkomingen in de controle op een burgerinformant en schending van het recht op een eerlijk proces. Het hof vond dat verdachte door de overheid was uitgelokt tot strafbare feiten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat verdachte door een opsporingsambtenaar of een persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, is gebracht tot het plegen van de strafbare feiten. De Hoge Raad benadrukt dat niet-ontvankelijkverklaring slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast, namelijk bij ernstige inbreuk op de procesorde met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. De zaak wordt op het bestaande hoger beroep opnieuw behandeld. Hiermee wordt het belang van zorgvuldige toetsing van bijzondere opsporingsmethoden en het recht op een eerlijk proces onderstreept.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende vaststelling dat verdachte door opsporingsambtenaar tot het strafbare feit is gebracht.