Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep in de zaak met nummer 200.169.515
3.Het geding in hoger beroep in de zaak met nummer 200.169.473
4.Het geding in hoger beroep in de zaak met nummer 200.169.520
5.De vaststaande feiten
6.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
7.De beoordeling van de grieven en de vordering in kort geding
incidenteel beroepin de zaken met nummers 200.169.473 en 200.169.520 te bespreken. Volgens de grief van Mondia brengt de positie van ASR c.s. en IEF c.s. als gevoegde – niet tussenkomende – partijen mee dat geen acht kan worden geslagen op verweren waarop V&D zich niet zou kunnen beroepen. Volgens Mondia kan in verband daarmee geen acht worden geslagen op het beroep van ASR c.s. en IEF c.s. op handelen
jegens henin strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid, op misbruik van bevoegdheid
jegens henen ongerechtvaardigde verrijking
jegens hen.
hoger beroepin de zaak met nummer 200.169.515 en het
principaal beroepin de zaken met nummers 200.169.473 en 200.169.520. Het hof zal die grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.
nieteen vordering van V&D en/of van ASR c.s. en IEF c.s. die ertoe strekt om Mondia te verplichten om zich alsnog aan te sluiten bij de overeenstemming zoals die begin 2015 met bijna alle verhuurders is bereikt. De vraag die in de onderhavige zaak voorligt is of het bestaan van de vordering van Mondia voldoende aannemelijk is om toewijzing bij voorraad van de door haar gepretendeerde geldvordering te kunnen rechtvaardigen (of dat in plaats daarvan de zaak in een bodemprocedure behoort te worden beslecht, met de daaraan verbonden mogelijkheid van bewijslevering door getuigen en deskundigen). Die vraag beantwoordt het hof ontkennend; het beroep van V&D, ASR c.s. en IEF c.s. op misbruik van bevoegdheid acht het hof niet op voorhand ongegrond. Dit geldt zowel voor het verweer van V&D op zichzelf genomen, als op hetgeen ASR c.s. en IEF c.s. daaraan ter ondersteuning hebben toegevoegd.