Conclusie
Mondia)
Mr. C. van de Meent,in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van V&D B.V.,
Mr. H. De Coninck-Smolders,in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van V&D B.V.
de curatoren)
ASR c.s.)
IEF c.s.)
1.Feiten en procesverloop
7 De beoordeling van de grieven en de vordering in kort geding
toev. A-G] (arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005, NJ 2006/230) lijdt dit beginsel echter uitzondering voor zover een schuldeiser zijn bevoegdheid misbruikt in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Pro Wetboek en deze aldus naar redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren. Daartoe is de omstandigheid dat een schuldeiser de slechte financiële positie van de schuldenaar of diens dreigende faillissement kent of behoort te kennen, in het algemeen onvoldoende. Tegenover het belang van de schuldeiser bij voldoening van zijn vordering door verhaal op alle goederen van zijn schuldenaar, zal het belang van de schuldenaar dat door de instemming van de schuldeiser met het akkoord de mogelijkheid bestaat dat het faillissement wordt voorkomen, doorgaans niet zwaar genoeg wegen, terwijl in beginsel van de individuele schuldeiser niet mag worden gevergd dat deze het belang laat prevaleren dat de schuldenaar beoogt te behartigen. In dit verband speelt ook een rol dat bij een buitengerechtelijk akkoord de waarborgen ontbreken die de Faillissementswet biedt met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de vermogenspositie van de schuldenaar door de curator en de raadsheer-commissaris. Een en ander brengt mee dat bij het aanvaarden van een verplichting tot medewerking aan een buitengerechtelijk akkoord terughoudendheid is geboden en dat een afdwingbare verplichting tot zodanige medewerking slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden aanvaard, waarbij het op de weg ligt van de schuldenaar om specifieke feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser naar redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen.
nieteen vordering van V&D en/of van ASR c.s. en IEF c.s. die ertoe strekt om Mondia te verplichten om zich alsnog aan te sluiten bij de overeenstemming zoals die begin 2015 met bijna alle verhuurders is bereikt. De vraag die in de onderhavige zaak voorligt is of het bestaan van de vordering van Mondia voldoende aannemelijk is om toewijzing bij voorraad van de door haar gepretendeerde geldvordering te kunnen rechtvaardigen (of dat in plaats daarvan de zaak in een bodemprocedure behoort te worden beslecht, met de daaraan verbonden mogelijkheid van bewijslevering door getuigen en deskundigen). Die vraag beantwoordt het hof ontkennend; het beroep van V&D, ASR c.s. en IEF c.s. op misbruik van bevoegdheid acht het hof niet op voorhand ongegrond. Dit geldt zowel voor het verweer van V&D op zichzelf genomen, als op hetgeen ASR c.s. en IEF c.s. daaraan ter ondersteuning hebben toegevoegd.
2.De gevolgen van de faillietverklaring van V&D
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1), althans onbegrijpelijk (
subonderdeel 1.2) dat het hof de vordering niet reeds op die grond toewijsbaar heeft geoordeeld.
onderdelen 2 en 3van het cassatiemiddel richten zich tegen rov. 7.6-7.8 en 7.11-7.15 van het arrest, waarin het hof tot het oordeel komt dat het beroep van V&D c.s. op misbruik van bevoegdheid niet op voorhand ongegrond kan worden geacht.
Subonderdeel 2.1verwijt het hof dat het ten onrechte (tevens) toepassing heeft gegeven aan de in het Payroll-arrest geformuleerde (misbruik)maatstaf, omdat er in het onderhavige geval geen sprake is van een vordering van de schuldenaar tot medewerking aan een buitengerechtelijk akkoord. Volgens
subonderdeel 2.2vindt het toepassen van de in het Payroll-arrest geformuleerde (misbruik)maatstaf in een geval als het onderhavige, ter afwijzing van een geldvordering ter incasso, geen steun in het recht. Daardoor heeft het hof beslist in strijd met de (grond)beginselen van contractsvrijheid en verbindende kracht van overeenkomsten. Volgens
subonderdeel 2.4heeft het hof miskend dat toepassing van de in het Payroll-arrest geformuleerde (misbruik)maatstaf in het onderhavige geval (mede) strijdig is met de regeling in de Faillissementswet tot bescherming van de vermogensrechtelijke positie van verhuurders (art. 39 Fw Pro).
alleschuldeisers van V&D gelijk worden behandeld en er voorts (ii) geen sprake is van een buitengerechtelijk akkoord waarmee bestaande schulden van V&D worden gesaneerd, maar van een minnelijk bepaalde (huur)korting op toekomstige betalingstermijnen, hetgeen de facto een investering(sbijdrage) in de onderneming van V&D behelst. Daarnaast wordt niet voldaan aan de in lagere rechtspraak ontwikkelde (overige) voorwaarden voor toepassing van deze (misbruik)maatstaf. Verder heeft het hof de (misbruik)maatstaf niet met de vereiste terughoudendheid toegepast. Tot slot stelt het subonderdeel dat het hof vorenstaande nadere vereisten/voorwaarden en de door Mondia gestelde relevante feiten en omstandigheden niet op (voldoende) kenbare wijze in zijn oordeel heeft betrokken.
Subonderdeel 2.5klaagt dat het hof ten onrechte niet (mede) in aanmerking heeft genomen (i) dat V&D, indien zij aanspraak wilde maken op vermindering van de huurprijs, gebruik had kunnen maken van de procedure ex 7:303 BW en (ii) dat partijen reeds een minnelijke huurverlaging per 1 februari 2015 waren overeengekomen.
subonderdelen 3.1.a en 3.1.b (eerste klacht)heeft het hof de toewijsbaarheid van de vorderingen van Mondia ten onrechte (uitsluitend) ‘ex tunc’ getoetst. Hierdoor heeft het hof ten onrechte niet, althans niet (voldoende) kenbaar in zijn oordeel betrokken de stelling van Mondia dat V&D haar financiering per februari 2015 weer op orde had en geen faillissement (meer) dreigde.
Subonderdeel 3.1.b (tweede klacht)klaagt dat in het licht van die omstandigheden onbegrijpelijk is waarom het vorderen van de onverminderde huurprijs door Mondia in de periode vanaf februari 2015 misbruik van bevoegdheid oplevert.
subonderdeel 3.4.d (tweede klacht)niet duidelijk waarom ten tijde van de einduitspraak op 22 december 2015 de verantwoordelijkheid van de aandeelhouder en haar bank(en) tot (hernieuwde) financiering van V&D niet relevant en beslissend was voor de vraag of Mondia misbruik van bevoegdheid maakte door ten tijde van de einduitspraak betaling van de onverminderde huurprijs te vorderen.
subonderdelen 3.2.a(gerechtvaardigdheid van een bijzonder offer door de verhuurders, rov. 7.12),
3.3(de positie van Mondia is dankzij door anderen gebrachte offers niet meer in gevaar, rov. 7.12),
3.4.a(afwending van faillissement, gerechtvaardigdheid van een bijzonder offer, rov. 712),
3.4.b(bekendheid van Mondia met dreigend faillissement, rov. 7.11 en 7.14) en
3.5.ageen steun in het recht (waaronder de maatstaf van het Payroll-arrest), terwijl
subonderdeel 3.4.cklaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel dat Mondia in geval van een faillissement van V&D een groot nadeel zou hebben geleden (rov. 7.12).
Subonderdeel 3.5.b (tweede klacht)stelt dat het hof niet tot "ontneming" kon overgaan op de enkele rechtsgrond van "misbruik van bevoegdheid".
Subonderdeel 3.5.b (derde klacht) betoogt dat het hof heeft miskend dat het recht waarop de in art. 1 EP Pro bij het EVRM bedoelde beperking berust (om te kwalificeren als een gerechtvaardigde "ontneming") voor de burger voldoende kenbaar moet zijn en deze rechtsnorm zodanig precies moet zijn geformuleerd dat de burger zijn gedrag erop kan afstemmen, aan welke vereisten in het onderhavige geval - zoals in subonderdeel 3.2 uitgewerkt - niet werd voldaan.
nietis een vordering van de schuldenaar die ertoe strekt om Mondia te verplichten om zich alsnog aan te sluiten bij de overeenstemming zoals die begin 2015 met bijna alle verhuurders is bereikt en (maar) dat de voorliggende vraag is of het bestaan van de vordering van Mondia voldoende aannemelijk is om toewijzing bij voorraad van de door haar gepretendeerde geldvordering te kunnen rechtvaardigen.
nietde ‘zware’ misbruikmaatstaf uit het Payroll-arrest toe te passen. Zijn beoordeling in rov. 7.12 e.v. lijkt eveneens te wijzen op de toepassing van een andere, ‘lichtere’ maatstaf. Toch meen ik, gelet op het uitvoerige exposé in rov. 7.10 in verband met het onderzoek naar (uitsluitend) misbruik van bevoegdheid, dat het hof bij zijn beoordeling wel degelijk de maatstaf uit het Payroll-arrest voor ogen heeft gehad. De ‘lichter’ ogende toetsing laat zich verklaren door het karakter van het kort geding [16] , dat meebracht dat het hof – in cassatie niet bestreden – (slechts) heeft onderzocht of het beroep op misbruik van bevoegdheid “
niet op voorhand ongegrond” was (rov. 7.11), in welk verband het hof heeft vastgesteld dat er omstandigheden zijn die “
pleiten voor” het oordeel dat Mondia misbruik van bevoegdheid maakt (rov. 7.12). In de opvatting van het hof zou de bodemrechter dit nader moeten beoordelen.
de factoom de vraag of de schuldeiser zich kan onttrekken aan de werking van een tussen de schuldenaar en zijn overige schuldeisers getroffen regeling, die in de kern inhoudt dat de schuldeiser slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand doet van zijn recht op voldoening. Het zou ongerijmd zijn indien, uitgaande van het tegengeworpen akkoord, de uitkomst van het onderhavige onderzoek naar misbruik van de bevoegdheid om onverkort nakoming te vorderen een andere zou zijn dan de uitkomst van een (fictief) onderzoek naar misbruik van de bevoegdheid om de aanvaarding van een aanbod voor dat akkoord te weigeren. De
subonderdelen 2.1-2.2stranden derhalve.
alleschuldeisers aan het reddingsplan een bijdrage leveren en (ii) dat dit een huurkorting op toekomstige termijnen behelst, brengen (voor zover al juist) niet met zich dat het hof met zijn hier bestreden oordeel het recht heeft geschonden. Ook het weigeren van een buitengerechtelijk akkoord waarbij niet alle schuldeisers betrokken zijn respectievelijk dat (mede) betrekking heeft op toekomstige vorderingen, kan onder zeer bijzondere omstandigheden misbruik van recht opleveren. Zie ook 3.27.
subonderdelen 2.3 3.2.a, 3.3, 3.4.a -3.4.b en 3.5.aals de motiveringsklachten van
subonderdeel 2.3.
subonderdelen 3.3, 3.4.a en 3.4.bkunnen (tevens) geen doel treffen bij gebrek aan feitelijke grondslag. De subonderdelen gaan ten onrechte uit van de lezing dat het hof heeft geoordeeld (i) dat Mondia misbruik van bevoegdheid maakt op de enkele grond dat "haar eigen positie dankzij door anderen gebrachte offers niet meer in gevaar is" dan wel het hof in zijn oordeel beslissende betekenis heeft toegekend aan (ii) het belang van V&D om een faillissement te voorkomen dan wel (iii) de omstandigheid dat Mondia als schuldeiser de slechte positie van V&D als schuldenaar en het voor haar dreigende faillissement kende of behoorde te kennen.
Subonderdeel 3.4.cstuit daarop af.
subonderdelen 3.1.a en 3.1.b (eerste klacht)falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Van de gestelde toetsing ‘ex tunc’ is geen sprake. Het hof overweegt (rov. 7.12, vierde volzin) dat pleit voor het oordeel dat Mondia misbruik van bevoegdheid maakt de omstandigheid dat Mondia “nu haar eigen positie dankzij door anderen gebrachte offers niet meer in gevaar is” vasthoudt aan betaling van de onverminderde huurprijs. Uit deze overweging volgt dat het hof het verweer van Mondia dat V&D haar financiering per februari 2015 weer op orde had en er vanaf dat moment géén faillissement meer dreigde, weldegelijk in zijn oordeel heeft betrokken, maar dit verweer heeft verworpen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 3.4.d (eerste klacht)is tevergeefs voorgesteld. In het oordeel van het hof dat het beroep van V&D, ASR c.s. en IEF c.s. op misbruik van bevoegdheid niet op voorhand ongegrond is en de omstandigheden die het hof aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd (rov. 7.12-7.14), in het bijzonder de omstandigheid dat het hof het aannemelijk acht dat er voldoende grond was om van de verhuurders een bijzonder offer te vragen, ligt besloten dat het hof de stelling van Mondia - dat niet van haar als verhuurder kan worden gevergd dat zij aan het ondememersrisico van V&D deelneemt door haar (mede) te financieren - wel in zijn oordeel heeft betrokken, maar dit verweer heeft verworpen.
subonderdelen 3.1.b (tweede klacht) en 3.4.d (tweede klacht)stranden derhalve.
Subonderdeel 2.4faalt derhalve.
subonderdeel 2.5 (eerste klacht)is tevergeefs voorgesteld. De inzet van het onderhavige geding is niet een nadere aanpassing van de huurprijs aan vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse als bedoeld in art. 7:303 BW Pro. V&D stelt ook niet dat de huurprijs te hoog is als bedoeld in art. 7:303 BW Pro en op die grond aanpassing behoeft. V&D stelt enkel dat Mondia op grond van (onder meer) misbruik van bevoegdheid geen aanspraak kan maken op de door haar gevorderde huurtermijnen. [26] Anders dan subonderdeel 2.5 betoogt, sluit de (eventuele) [27] mogelijkheid tot huurprijsaanpassing ex. art. 7:303 BW Pro een beroep op misbruik van bevoegdheid niet uit. Van de door het subonderdeel gestelde strijd met het stelsel der wet is geen sprake.
subonderdeel 2.5 (tweede klacht)gaat derhalve niet op.
subonderdeel 3.5.aheeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de voorgaande klachten.
subonderdeel 3.5.b (tweede en derde klacht)goed begrijp, uitsluitend de rechtmatigheid van de inbreuk aan de orde (de lawfullness-toets).
subonderdeel 3.5.b (tweede en derde klacht)faalt nu art. 3:13 BW Pro en voornoemde jurisprudentie als grondslag kunnen dienen voor de rechtvaardiging van de door het hof bedoelde inmenging.