Belanghebbende was het niet eens met de door de Inspecteur vastgestelde eigenwoningschuld voor het jaar 2009, die leidde tot een hogere aanslag inkomstenbelasting. De Inspecteur had de eigenwoningschuld vastgesteld op € 296.110, waarbij het bouwdepot van € 22.500 als verbouwingskosten werd meegenomen. Belanghebbende stelde dat de schuld € 330.000 bedroeg en dat het bouwdepot als eigenwoningschuld moest worden erkend, maar kon dit niet met schriftelijke bewijsstukken onderbouwen.
Tijdens het hoger beroep heeft belanghebbende nog een bewijsaanbod gedaan, maar het Hof heeft dit aanbod gepasseerd vanwege het ontbreken van eerdere onderbouwing en het belang van een doelmatige procesgang. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak op bezwaar tijdig was bekendgemaakt, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard.
Het Hof bevestigde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een hogere eigenwoningschuld dan door de Inspecteur vastgesteld. De verkoopprijs van de woning en de ingediende herziene aangiften konden niet als bewijs dienen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de proceskosten werden vastgesteld op € 10.
De uitspraak werd openbaar gedaan op 19 januari 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij de uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd.