In deze zaak stond de vraag centraal of de pachtovereenkomst tussen de pachters en de verpachters rechtsgeldig kon worden beëindigd. De pachters exploiteren gezamenlijk een akkerbouwbedrijf van circa 25 hectare en voeren de werkzaamheden grotendeels zelf uit. Het bedrijf kent een normale bedrijfsvoering gericht op winst, ondanks dat de winst fiscaal bescheiden is.
De pachtkamer had de pachtovereenkomst beëindigd op grond van het ontbreken van bedrijfsmatige exploitatie en een betalingsachterstand. Het hof oordeelde echter dat sprake is van bedrijfsmatige landbouw, waarbij onder meer werd meegewogen dat de pachters geen andere functie buiten de landbouw hebben, investeren in machines en gebouwen, en het bedrijf levensvatbaar is.
Daarnaast stelde het hof vast dat de betalingsachterstand niet ernstig genoeg was om beëindiging te rechtvaardigen, mede omdat deze inmiddels was voldaan. Ook de belangenafweging, waarbij de verpachters hun erfgenamen niet wilden belasten met de pachtovereenkomst, woog niet zwaarder dan het belang van de pachters bij voortzetting.
Het hof vernietigde daarom het vonnis van de pachtkamer voor zover het de beëindiging betrof, bekrachtigde het vonnis voor de betalingsverplichting en veroordeelde de verpachters in de kosten van het hoger beroep.