ECLI:NL:GHARL:2016:6255
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Th.C.M. Willemse
- F.J.P. Lock
- H.L. Wattel
- H.J. Vinke
- H.K.C. Roelofsen
- Rechtspraak.nl
Ontbinding pachtovereenkomst afgewezen wegens onvoldoende ernstige betalingsachterstanden
In deze zaak vorderde de verpachter, tevens zus van de pachter, ontbinding van de pachtovereenkomst wegens stelselmatig te late betalingen door haar broer. Het hof oordeelde dat de te late betalingen onvoldoende ernstig waren om ontbinding te rechtvaardigen, mede gelet op de lange periode waarin betalingen wel tijdig plaatsvonden en de impact van ontbinding op het bedrijf van de pachter.
Daarnaast vorderde de verpachter achterstallige pachtbetalingen uit hoofde van een pachtovereenkomst uit 1995 die pas recent door de Grondkamer was goedgekeurd. De pachter stelde zich op het standpunt dat deze vordering was verjaard. Het hof bevestigde dat op periodieke pachtbetalingen artikel 3:308 BW Pro van toepassing is, waardoor vorderingen verjaarden vijf jaar na opeisbaarheid. De verjaringstermijn begon te lopen op het moment van de afgesproken betalingstermijn, ongeacht de latere goedkeuring van de overeenkomst.
Het hof benadrukte dat artikel 7:322 BW Pro, dat de goedkeuring van de pachtovereenkomst regelt, niet het moment van verschuldigdheid van de pachtprijs beïnvloedt, maar slechts het recht om in rechte te vorderen. Hierdoor kan de verpachter niet achterstallige pachtbetalingen langer dan vijf jaar terug vorderen. De vordering van de verpachter was daarom verjaard en werd afgewezen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de pachtkamer te Assen en veroordeelde de verpachter in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de ontbinding van de pachtovereenkomst af en verklaart de vordering tot betaling van achterstallige pacht uit 1995 verjaard.