Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster, verder te noemen: de vrouw,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd geweest en vervolgens gescheiden met nevenvoorzieningen vastgesteld door de rechtbank. De vrouw verzoekt in hoger beroep om voorlopige voorzieningen met betrekking tot partneralimentatie en inzage in financiële documenten, waaronder huurovereenkomsten en bankafschriften.
De man betwist de ontvankelijkheid van het verzoek en voert onder meer aan dat de vrouw geen belang meer heeft bij voorlopige voorzieningen nu de echtscheiding is ingeschreven en dat zij onvoldoende grieven heeft geformuleerd. Het hof oordeelt dat het verzoek niet als hoger beroep tegen de beschikking voorlopige voorzieningen van 15 juli 2016 kan worden aangemerkt, maar als een verzoek op grond van artikel 223 lid 1 Rv Pro voor voorlopige voorzieningen gedurende het geding.
Het hof stelt dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij behoeftig is, mede omdat zij een behoorlijke verdiencapaciteit heeft en onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Ook het verzoek tot exhibitie van financiële documenten wordt afgewezen omdat de vrouw onvoldoende heeft geconcretiseerd welke stukken ontbreken en zij de kosten niet wil dragen.
De verzoeken van de vrouw worden daarom afgewezen. De beschikking is gegeven door mr. J.B. de Groot, mr. R. Feunekes en mr. M.E.L. Klein op 20 oktober 2016.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw om voorlopige voorzieningen voor partneralimentatie en exhibitie van financiële documenten af.