In deze civiele zaak stond de ontbinding van een pachtovereenkomst centraal tussen de executeur namens de nalatenschap van de overleden verpachtster en de pachter. Na diverse procedurele stappen, waaronder een comparitie van partijen en pogingen tot minnelijke schikking, is gebleken dat partijen niet tot overeenstemming konden komen.
De executeur stelde dat de pachter niet serieus bereid was het gepachte te verwerven en dat hij niet in staat was de aankoop van de gepachte gebouwen te financieren. De erven wilden geen bijdrage leveren aan de financiering en stelden voorwaarden voor een geliberaliseerde overeenkomst voor de gronden, met taxatie op onverpachte waarde. De pachter zag nog mogelijkheden voor schikking, maar het hof vond onvoldoende aanknopingspunten om de comparitie voort te zetten.
Het hof besloot daarom het arrest te wijzen en droeg partijen op het volledige procesdossier over te leggen. De zaak werd aangehouden voor verdere beslissing nadat de dossiers waren ingediend. Het arrest werd gewezen door vijf rechters en uitgesproken op 25 april 2017.