ECLI:NL:GHARL:2017:3560

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 april 2017
Publicatiedatum
25 april 2017
Zaaknummer
200.209.644
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:241 BWArt. 71 lid 1 RvArt. 71 lid 5 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens bevoegdheidsgeschil statutair bestuurder

In deze civiele procedure stond centraal de vraag of de kantonrechter bevoegd was om kennis te nemen van een vordering van appellant tegen DLG Benelux B.V. Appellant stelde werkzaamheden te hebben verricht op basis van een arbeidsovereenkomst en betwistte statutair bestuurder te zijn. DLG stelde het tegendeel en stelde een tegenvordering in.

De kantonrechter oordeelde dat appellant statutair directeur was en dat op grond van artikel 2:241 BW Pro de handelskamer van de rechtbank bevoegd was, waarna de zaak werd verwezen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof oordeelde dat het vonnis van de kantonrechter geen deelvonnis was en dat tegen de verwijzing geen hoger beroep openstond. Daarom werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en veroordeeld in de kosten.

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 2:241 BW Pro en de beperkingen van hoger beroep tegen verwijzingsbeslissingen in bevoegdheidsgeschillen tussen statutair bestuurders en vennootschappen.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de verwijzing van de kantonrechter naar de handelskamer.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.209.644
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 4513252 UC EXPL)
arrest van 25 april 2017
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DLG Benelux B.V.,
gevestigd te Woerden,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie,
hierna: DLG,
niet verschenen.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
23 december 2015 (niet overgelegd) en 14 december 2016 die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 februari 2017,
- de verstekverlening tegen DLG,
- de akte uitlating ontvankelijkheid van [appellant].
2.2
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op het griffiedossier).

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
Het geschil tussen partijen gaat, kort gezegd, over het volgende. [appellant] heeft bij de kantonrechter een vordering in conventie tegen DLG ingesteld, gebaseerd op de stelling dat hij op grond van een arbeidsovereenkomst voor DLG werkzaamheden heeft verricht. Volgens [appellant] was hij geen statutair bestuurder van DLG. DLG heeft die vordering bestreden en heeft op haar beurt een vordering in reconventie tegen [appellant] ingesteld, welke vordering [appellant] heeft bestreden. De kantonrechter heeft in het vonnis van 14 december 2016 (onder 4.10) in de kern overwogen dat voldoende vaststaat dat [appellant] statutair directeur van (een rechtsvoorgangster van) DLG was en dat daarom op grond van artikel 2:241 BW Pro niet de kantonrechter, maar de handelskamer van de rechtbank van de vorderingen in conventie en in reconventie moet kennisnemen. In het dictum van dat vonnis (onder 5) heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rolzitting van de handelskamer van de rechtbank. [appellant] is van het vonnis van 14 december 2016 in hoger beroep gekomen.
3.2
Het hof is van oordeel dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep. Op grond van artikel 2:241 van Pro het Burgerlijk Wetboek gelezen in verband met artikel 71 leden Pro 1 en 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat immers tegen de verwijzing door de kantonrechter van de zaak naar de rechtbank in het vonnis waarvan beroep geen voorziening (hoger beroep) open. Anders dan [appellant] meent, is het bestreden vonnis geen deelvonnis waarvan hij moest appelleren. In het dictum van het vonnis van 14 december 2016 is namelijk niet met betrekking tot enig deel van het gevorderde een einde gemaakt aan het geding.
3.3
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4.4. De beslissingHet hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 14 december 2016;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DLG begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R.A. Dozy en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 april 2017.