Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting over een fictieve verkrijging van aandelenwaardestijging na overlijden van zijn broer. De Inspecteur had artikel 13a van de Successiewet 1956 toegepast en de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) niet toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel. Het Hof oordeelde dat de fictieve verkrijging niet leidt tot een verkrijging van ondernemingsvermogen in de zin van de BOF, omdat de aandelen van belanghebbende niet tot het aanmerkelijk belang van de erflater behoorden. Ook werd geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.
Verder werd vastgesteld dat bij de waardering van de fictieve verkrijging rekening moet worden gehouden met latente vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, zoals door de Inspecteur toegepast. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag en belastingrente gehandhaafd.