Belanghebbende, een advocaat die in 2013 zijn eigen onderneming startte na een dienstverband, voerde aan dat hij meer dan 1225 uren aan zijn onderneming had besteed, inclusief werkzaamheden als lid van de Raad van Commissarissen en diverse bestuursfuncties.
De Inspecteur betwistte dit, en het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd ter onderbouwing van zijn uren. De door hem overgelegde agenda gaf geen duidelijkheid over de daadwerkelijk gewerkte uren, en de schattingen voor permanente educatie en acquisitie waren niet aannemelijk gemaakt.
Ook de uren die hij voor de curator betaalde voor overgenomen dossiers konden niet worden toegerekend aan de onderneming na de startdatum. Het hof concludeerde dat belanghebbende niet voldeed aan het urencriterium en bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, inclusief het bezwaar tegen de belastingrente. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.