Belanghebbende, een ondernemer met een eenmanszaak, voerde in hoger beroep aan dat de uren die zij in 2018 aan haar masteropleiding en scriptie besteedde, mee moesten tellen voor het urencriterium van de zelfstandigenaftrek. De inspecteur had de zelfstandigenaftrek geweigerd omdat niet was aangetoond dat zij ten minste 1.225 uren aan haar onderneming had besteed.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van de urenbesteding en de onduidelijkheid over de aard van de werkzaamheden. Het Gerechtshof Amsterdam overwoog dat de uren die aan een masterstudie worden besteed, in principe mee kunnen tellen voor het urencriterium, verwijzend naar jurisprudentie van de Hoge Raad over het op peil houden van vakbekwaamheid.
Desondanks slaagde het hoger beroep niet omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk minimaal 1.225 uren aan haar onderneming had besteed. Het urenoverzicht was te globaal en bevatte geen controleerbare gegevens over de aard van de werkzaamheden of cliënten.
Belanghebbendes beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur werd eveneens verworpen. Het verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige handelwijze van de inspecteur werd afgewezen omdat een schadevergoeding alleen kan worden toegekend bij een gegrond beroep. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het Hof verklaarde zich onbevoegd over de schadevergoeding te oordelen.