Uitspraak
[appellant],
SK Noord,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stond appellant peremptoir voor het indienen van de memorie van grieven. Op de uiterste datum werd geen memorie van grieven ingediend, maar een incidentele conclusie tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Geïntimeerde stelde dat het recht op memorie van grieven was vervallen en dat de zaak naar arrest verwezen moest worden op grond van artikel 2.14 Lpr.
De rolraadsheer oordeelde dat het bezwaar van geïntimeerde tijdig was en dat het processtuk van appellant, hoewel niet als memorie van grieven getiteld, wel degelijk grieven bevatte die duidelijk kenbare kritiek op het vonnis waarvan beroep inhielden. Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad werd dit processtuk daarom aangemerkt als memorie van grieven.
Het verzoek van appellant om alsnog een nadere memorie van grieven te mogen nemen werd afgewezen vanwege de peremptoirstelling en de regel van twee conclusies. De rolraadsheer handhaafde de rolverwijzing voor het incident en bepaalde dat de zaak op de geplande datum voor antwoord in het incident zou blijven staan.
Deze beslissing benadrukt het belang van tijdige en duidelijke processtukken in hoger beroep en bevestigt dat een incidentele conclusie onder omstandigheden als memorie van grieven kan worden aangemerkt, mits de grieven voldoende duidelijk zijn geformuleerd.
Uitkomst: Het verzoek tot nadere memorie van grieven werd afgewezen en het processtuk van 20 juni 2017 werd als memorie van grieven aangemerkt.