Belanghebbende, een BV, kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd voor een ingevoerde Volkswagen Passat met schade. De Inspecteur stelde dat de schade niet in mindering mocht worden gebracht op de handelsinkoopwaarde, terwijl belanghebbende een taxatierapport met schadecalculatie overlegde.
De rechtbank Noord-Nederland had de naheffingsaanslag verminderd, maar de Inspecteur ging in hoger beroep. Het Hof onderzocht de bewijslastverdeling en stelde vast dat de Inspecteur de waarde van vergelijkbare voertuigen moest aannemelijk maken, terwijl belanghebbende de omvang van de schade moest onderbouwen.
Het Hof oordeelde dat niet alle herstelkosten als schade konden worden aangemerkt en dat de omvang van de schade niet volledig werd ondersteund. Uiteindelijk werd de waardevermindering op de handelsinkoopwaarde vastgesteld op 20% van de schadecalculatie, vervolgens toegepast een norm van 72% waardevermindering, resulterend in een naheffingsaanslag van €1.767.
De Inspecteur kon geen omkering van de bewijslast bewijzen, omdat belanghebbende een deskundig taxatierapport had overgelegd en niet bewust was van een aanzienlijke te lage aangifte. Het Hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.