Belanghebbende, een naamloze vennootschap aan het hoofd van een internationaal concern, maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen loonheffingen over pseudo-eindheffingen excessieve vertrekvergoedingen aan twee voormalige werknemers, [A] en [B]. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil betrof onder meer de rechtmatigheid van de pseudo-eindheffing volgens artikel 32bb Wet LB, mogelijke strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de toepassing van de 30%-regeling bij de loonbegripbepaling, en de vraag of de heffing aan Frankrijk toekomt op grond van het belastingverdrag.
Het Hof bevestigde dat de pseudo-eindheffing een legitiem doel dient en binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt, inclusief het ontbreken van een tegenbewijsregeling. De heffing is geen strafrechtelijke sanctie en voldoet aan het gelijkheidsbeginsel. Wel oordeelde het Hof dat de 30%-regeling correct moet worden toegepast bij het bepalen van het toetsloon, waardoor de pseudo-eindheffing voor 2011 en 2012 moet worden verminderd. De dienstbetrekking van [B] eindigde in 2012, wat de heffing voor hem bevestigt.
Het Hof vernietigde de uitspraken van de rechtbank en de Inspecteur voor 2011 en 2012, gelast teruggaaf van respectievelijk € 45.420 en € 11.355, en wees de beroepen voor 2013 af. Tevens veroordeelde het Hof de Inspecteur in de proceskosten en bepaalde vergoeding van griffierecht.