Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 12 mei 2016
[X] N.V., te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
30 oktober 2013 voldaan;
mr. [E] .
Overwegingen
2 juli 2013 overgemaakt aan de Stamrecht-BV van [B] .
- in verband met strijdigheid van deze heffing met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM);
- omdat er sprake is van discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR);
- in verband met strijdigheid met het systeem van de wet;
- in verband met strijdigheid met artikel 1 van Pro de Wet LB;
- in verband met strijdigheid met artikel 6 EVRM Pro;
- omdat de vertrekvergoeding volledig in lijn is met de Corporate governance code;
- omdat de bonus niet aan het juiste jaar is toegerekend.
- het heffingsrecht als bedoeld in artikel 32bb Wet LB niet aan Nederland is toegewezen;
- bij de heffing over de vertrekvergoeding ten onrechte geen rekening is gehouden met de 30%-regeling.
€ 500.000 in dienst hebben wel te ontzien en werkgevers die werknemers in dienst hebben met een inkomen boven € 500.000 niet te ontzien. Bovendien stelt zij dat de heffing voor haar tot een “individual and excessive burden” leidt, omdat eiseres op grond van haar enkelvoudige winst- en verliesrekening verlies heeft geleden in de onderwerpelijke jaren.
1 EP. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het belasten van de vertrekvergoeding niet kan worden gerechtvaardigd vanuit doelmatigheid, nu er gedurende de jaren 2011 en 2012 in totaal respectievelijk slechts 42 en 40 naheffingsaanslagen pseudo-eindheffingen excessieve vertrekvergoeding zijn opgelegd.
ECLI:NL:HR:2013:1211).
“Met betrekking tot het inzetten van het fiscale instrument merkt de Raad op, dat binnen de
primaire heffingsstructuur van de loon- en inkomstenbelasting dit instrument is “uitgewerkt”,
omdat ook de excessieve beloningen reeds volledig in de loon- en inkomstenbelasting
worden betrokken. De voorgestelde werkgeversheffingen leiden tot een dubbele heffing over
bepaalde beloningsbestanddelen in de vorm van pseudo-eindheffingen die niet passen in de
primaire heffingsstructuur van de loonbelasting. In die zin moet het voorstel als een in de
loonbelasting ingebedde punitieve sanctie worden aangemerkt die als zodanig
rechtvaardiging behoeft en moet worden, getoetst aan artikel 6 van Pro het Europese Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mensen de fundamentele vrijheden en de jurisprudentie
terzake van het Europees Hof voor de rechten van de mens.”
(…)
e. - kort gezegd - extraterritoriale kosten (de 30%-regeling).
“The Employment Contract will be terminated by mutual consent effective 1 January
2013, (…) Accordingly, as from 1 January 2013, Mr [B] will no longer be
Dit heeft volgens eiseres tot gevolg dat de berekening van [B] onjuist is vastgesteld met als gevolg dat er geen heffing over 2013 verschuldigd is.
Conclusie
Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;