De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde en OZB-aanslagen voor twee onroerende zaken vast in één geschrift. Belanghebbende diende voor beide adressen aparte bezwaarschriften in met afzonderlijke taxatierapporten. De heffingsambtenaar kende een proceskostenvergoeding toe, maar de rechtbank verhoogde deze aanzienlijk en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht.
In hoger beroep stelde de heffingsambtenaar dat slechts één punt voor bezwaar en één punt voor het hoorgesprek toekwam, terwijl belanghebbende incidenteel hoger beroep instelde over indexering van taxatiekosten. Het hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een hogere wegingsfactor toepaste en dat de bezwaarschriften inhoudelijk nagenoeg identiek waren, waardoor geen sprake was van een meer dan gemiddelde werkbelasting.
Verder verwierp het hof het verzoek tot indexering van het uurtarief voor taxateurs, omdat dit niet in de wet- en regelgeving was verankerd en taxateurs en rechtsbijstandverleners geen gelijke gevallen zijn. Het hof stelde de proceskostenvergoeding vast op € 1.611,80 en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende werd afgewezen.