In deze civiele zaak staat de beëindiging van een hoofdhuurovereenkomst van een middenstandsbedrijfsruimte centraal. De hoofdverhuurder, tevens onderhuurder, heeft de huurovereenkomst opgezegd met als grondslag een belangenafweging waarbij zijn eigen bedrijfsvoering prevaleert boven het voortzetten van de huurovereenkomst met Grolsch.
De feiten betreffen een hoofdhuurovereenkomst gesloten in 2008 tussen een maatschap en Grolsch, die het gehuurde vervolgens onderverhuurde aan de huidige eigenaar/onderhuurder. Na financiële problemen en eigendomsoverdracht heeft de eigenaar de hoofdhuurovereenkomst opgezegd, mede vanwege de wens tot integratie van zijn horecaondernemingen en het afzien van de drankafnameverplichting.
De kantonrechter wees de opzeggingsgrond belangenafweging toe en stelde de beëindiging per 1 januari 2018 vast. Het hof vernietigt dit deel van het vonnis en stelt de beëindigingsdatum uit tot 1 april 2019, waarbij het belang van de eigenaar/onderhuurder bij vrije bedrijfsvoering zwaarder weegt dan het belang van Grolsch bij voortzetting van het huurcontract. De drankafnameverplichting wordt niet als misbruik van recht beoordeeld. Grolsch wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten.