Uitspraak
[appellant],
Noordersluis,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Een bouwvakker van 58 jaar werd in 2012 ontslagen door zijn werkgever, een bouwbedrijf dat vanwege de economische crisis een ontslagvergunning had verkregen voor meerdere werknemers. Na ontslag trad de werknemer in dienst bij een ander bedrijf, waar hij een iets hoger salaris verdiende en pensioen opbouwde onder een andere cao.
De werknemer vorderde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, met name vanwege het pensioenverlies dat hij zou lijden. Rapportages toonden aan dat hij vanaf zijn pensioendatum 27% minder pensioen zou ontvangen dan indien hij bij het bouwbedrijf was gebleven.
Het hof stelde vast dat het ontslag bedrijfseconomisch noodzakelijk was en dat het afspiegelingsbeginsel correct was toegepast. Bovendien had de werknemer zijn werk en inkomen behouden en was zijn salaris zelfs verbeterd. Ook de lagere pensioenpremie werd meegewogen.
Gelet op deze omstandigheden oordeelde het hof dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was, ondanks het substantiële pensioenverlies. De vorderingen van de werknemer werden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd, met uitzondering van de proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is en wijst de vorderingen van de werknemer af.