De zaak betreft een geschil over de geldigheid van een reguliere pachtovereenkomst gesloten op 20 augustus 2013 tussen [A], een oudere agrarische ondernemer, en [appellant], een varkenshouder. [Geïntimeerde], broer van [A], vordert vernietiging van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden en subsidiair dwaling.
In eerste aanleg heeft de pachtkamer van de rechtbank Gelderland de vorderingen toegewezen. In hoger beroep staat centraal of [A] ten tijde van het sluiten van de pachtovereenkomst onder invloed was van een abnormale geestestoestand of afhankelijkheid, waardoor zij misleid zou zijn. [Geïntimeerde] draagt de bewijslast en wordt toegelaten tot bewijslevering.
Het hof constateert dat de medische verklaringen van Alzheimer pas na 2015 dateren en dat het bewijs voor een abnormale geestestoestand in augustus 2013 onvoldoende is. Ook het proces-verbaal van aangifte van oplichting in 2014 biedt geen doorslaggevend bewijs. De notaris die de akten opstelde heeft destijds de geestestoestand van [A] als toereikend beoordeeld.
Het hof acht het aannemelijk dat [appellant] de pachtovereenkomst heeft bevorderd en dat bij bewezen geestestoestand sprake kan zijn van misbruik van omstandigheden. De subsidiaire grondslag dwaling wordt verworpen. Het hof bepaalt dat bewijs zal worden geleverd door getuigenverhoren, waarna verdere beslissing volgt.