Belanghebbende, een uitzendbedrijf opgericht in 2017 als gevolg van splitsing van [A] BV, werd door de Inspecteur ingedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven) voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze indeling en stelde dat zij op grond van het overgangsrecht in sector 44 (Zakelijke dienstverlening II) ingedeeld moest worden, gelijk aan haar voorganger [A].
De Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de indeling in sector 52. Belanghebbende stelde dat hierdoor het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, omdat vergelijkbare bedrijven wel in de vaksector konden blijven. Het hof oordeelde dat de Inspecteur onduidelijkheid had veroorzaakt over de termijn voor het indienen van beroep, waardoor belanghebbende niet in verzuim was.
Het hof stelde vast dat de wijziging in de Regeling Wfsv per 25 mei 2017 leidde tot verplichte indeling in sector 52 voor nieuwe gevallen, maar dat bestaande gevallen via een overgangsregeling in een vaksector konden blijven. Belanghebbende viel buiten deze overgangsregeling, wat leidde tot ongelijke behandeling zonder redelijke rechtvaardiging.
Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat belanghebbende voor de premieheffing in sector 44 moet worden ingedeeld. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.