ECLI:NL:RVS:2017:3557
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan materiële en formele algemene rechtsbeginselen
Deze conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven betreft beroepen van een omwonende tegen besluiten van de gemeente Purmerend over een LPG-tankstation, waarbij de toepasselijkheid en toetsing van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) centraal staan.
De kernvraag is hoe bestuursrechters een algemeen verbindend voorschrift moeten toetsen, met name of zij dit intensief moeten doen en of zij het voorschrift buiten toepassing moeten laten bij strijd met hogere rechtsnormen, waaronder ongeschreven rechtsbeginselen en EU-recht. Tevens is de rol van het relativiteitsvereiste bij dergelijke toetsing onderzocht.
De conclusie bepleit een intensievere, materiële en formele toetsing van algemeen verbindende voorschriften door bestuursrechters, waarbij de traditionele terughoudende willekeurstoetsing achterwege moet blijven. Toetsing aan het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is essentieel, evenals een belangenafweging die afhankelijk is van de beslissingsruimte van het bestuursorgaan en de mate van ingrijpen in fundamentele rechten.
Daarnaast wordt het relativiteitsvereiste besproken, met de conclusie dat dit vereiste niet in de weg staat aan toetsing van voorschriften die niet expliciet zijn geschreven ter bescherming van de belangen van de appellant, mits sprake is van ambtshalve toetsing of openbare orde. De conclusie benadrukt dat bestuursorganen verplicht zijn hun voorschriften te toetsen aan hoger recht en deze buiten toepassing te laten bij strijdigheid.
De zaak betreft ook de vraag of veiligheidsvoorschriften voor LPG-tankwagens, zoals hittewerende bekleding en verbeterde vulslang, in strijd zijn met EU-regelgeving. De conclusie stelt dat deze voorschriften niet als constructievoorschriften mogen worden gesteld en dat het relativiteitsvereiste toepassing vindt, waardoor de appellant geen rechten kan ontlenen aan deze EU-regels. De conclusie geeft daarmee belangrijke richtlijnen voor bestuursrechtelijke toetsing van algemeen verbindende voorschriften en de toepassing van het relativiteitsvereiste in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Bestuursrechters moeten algemeen verbindende voorschriften intensief toetsen aan materiële en formele algemene rechtsbeginselen en deze buiten toepassing laten bij strijdigheid; het relativiteitsvereiste staat deze toetsing niet in de weg.