Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
3 januari 2018
[Z](hierna: belanghebbende)
ontvangervan de
Belastingdienst/Kantoor Breda(hierna: de Ontvanger)
Minister voor Rechtsbescherminghierna: de Minister).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde loonbelasting over 1998-2001. Na bezwaar en beroep verklaarden rechtbank en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch het beroep ongegrond. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het ging om vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn en verwees de zaak terug.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeelde de vergoeding voor immateriële schade op basis van het overzichtsarrest van de Hoge Raad. De totale procedure duurde 130 maanden, waarbij een redelijke termijn van 48 maanden geldt, wat leidt tot een overschrijding van 82 maanden. De vergoeding wordt berekend op €7.000, waarvan €1.025 voor rekening van de Ontvanger komt en €5.975 voor de Minister.
Daarnaast is een vergoeding toegekend voor de overschrijding na verwijzing van €500, waarvan belanghebbende een vierde deel (€125) ontvangt vanwege gezamenlijke behandeling met andere zaken. De Minister is veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Proceskosten en griffierechten zijn eveneens toegewezen en verdeeld tussen Ontvanger en Minister.
De matiging van de vergoeding wegens samenhang met andere zaken is slechts van toepassing op de fase na verwijzing, niet op de eerdere fasen. Het hoger beroep is gegrond verklaard voor het verzoek om vergoeding immateriële schade.
Uitkomst: Het hof kent vergoeding immateriële schade toe wegens overschrijding redelijke termijn, deels gematigd vanwege samenhang met andere zaken.