Belanghebbende voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin werd geoordeeld dat zijn eenmanszaak geen bron van inkomen vormde voor de jaren 2011 en 2012. De Inspecteur had de negatieve resultaten gecorrigeerd en de aanslagen IB/PVV opgelegd. Belanghebbende stelde dat er wel een objectieve voordeelsverwachting bestond vanwege investeringen en plannen voor tentoonstellingsprojecten in Vietnam.
Het Hof overwoog dat de Inspecteur zorgvuldig had gehandeld, mede omdat belanghebbende via zijn accountant was geïnformeerd en gelegenheid had gekregen zijn standpunt te presenteren. De hoorplicht was niet geschonden en er was geen sprake van een overeenkomst met de Inspecteur die een andere procedure vereiste.
Juridisch werd bevestigd dat een bron van inkomen vereist dat redelijkerwijs voordeel te verwachten is. Belanghebbende kon dit niet aannemelijk maken, omdat de resultaten over meerdere jaren negatief waren, de omzet laag, en er geen financiële onderbouwing was van de voordeelsverwachting. Het Hof concludeerde dat de Inspecteur terecht de negatieve winst uit onderneming corrigeerde en de aanslagen bevestigde.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd het beroep tegen de heffingsrente afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.