Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
Aan de erfstelling ten aanzien van mijn kinderen verbind ik voor ieder van hen de last
de door haar door middel van bankoverboekingen ontvangen gelden totaal ten bedrage van negenhonderdveertigduizend gulden (ƒ 940.000,--) en welk bedrag hiervoor in de verdeling als vordering op deze comparant is opgenomen;
het door haar te vorderen bedrag van haar moeder (…) , zijnde de door
successierechten, totaal ten bedrage van tweehonderdtweeëntwintigduizend
4.De motivering van de beslissing in het hoger beroep
“ [geïntimeerde] (…), zowel in persoon als in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen [Kind 6] (…)”.Of het zinvol is dat [appellant] [geïntimeerde] heeft gedagvaard in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [Kind 6] is de vraag. Zoals hierna zal blijken gaat het in deze procedure immers niet om de nalatenschap van [Kind 6] , maar om die van erflater.
De verkrijger onder de last van fideicommis de residuo kan niet bij schenking over de hem onder die last nagelaten goederen beschikken, anders dan aan personen die afstammelingen van mij zijn.