Belanghebbende, een beursgenoteerde vennootschap die in 2013 werd overgenomen, voerde bezwaar tegen de opgelegde crisisheffing over de jaren 2013 en 2014. De heffing betrof loonbelasting over onder meer uitgekeerde aandelenoptierechten die volgens belanghebbende onterecht in de grondslag van de crisisheffing waren betrokken.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof behandelde het geschil waarbij centraal stond of de crisisheffing terecht was toegepast, met name ten aanzien van het genietingsmoment van de Performance Stock Units en Restricted Stock Units.
Het hof oordeelde dat de wettelijke bepaling in artikel 32bd van de Wet loonbelasting 1964 duidelijk bepaalt dat loon waarover in het voorafgaande jaar belasting is geheven, wordt aangemerkt als genoten op 31 maart van het kalenderjaar voor de crisisheffing. Hierdoor is het genietingsmoment niet relevant. Voorts verwierp het hof het beroep op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën en de stellingen dat de crisisheffing in strijd zou zijn met het Eerste Protocol bij het EVRM en andere mensenrechtenverdragen.
Ook het betoog dat sprake was van een individuele buitensporige last werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.