Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant 2],
[appellante],
hierna: [appellanten] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat centraal of de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (geïntimeerde) is opgehouden te bestaan, hetgeen van belang is voor de ontvankelijkheid van haar vordering tegen appellant. De vennootschap had in 2012 verbouwingswerkzaamheden door appellant laten verrichten, waarvan een deskundigenrapport uit 2017 concludeerde dat deze niet naar behoren waren uitgevoerd.
Appellant stelde dat de vennootschap per 30 juni 2017 was opgehouden te bestaan en daarom niet ontvankelijk was in haar vordering. De rechtbank wees dit af en stelde dat er op het moment van ontbinding nog een bate bestond in de vorm van een mogelijk vorderingsrecht op appellant. Het hof bevestigt dit oordeel en benadrukt dat een vennootschap na ontbinding blijft voortbestaan zolang vereffening van vermogen nodig is.
Het hof overweegt dat het bestuur van de vennootschap niet zonder meer beslissend is over het bestaan van baten en dat de inschrijving in het handelsregister niet constitutief is voor het bestaan van de vennootschap. De stelling van appellant dat de vennootschap afstand heeft gedaan van haar vordering wordt niet gevolgd wegens gebrek aan onderbouwing.
De grieven van appellant falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en verklaart de vordering van geïntimeerde ontvankelijk; appellant wordt veroordeeld in de kosten.