Belanghebbende, lid van Provinciale Staten en ondernemer met een eenmanszaak, voerde aan dat al zijn werkzaamheden als Statenlid ten dienste stonden van zijn onderneming, en dat hij daardoor voldeed aan het urencriterium voor zelfstandigenaftrek. De Inspecteur verwierp dit standpunt en stelde dat de uren als Statenlid niet aan de onderneming konden worden toegerekend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het gerechtshof bevestigt dit oordeel.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende de zelfstandigenaftrek en startersaftrek kon toepassen voor 2011, waarbij het urencriterium van 1225 uur centraal stond. Belanghebbende bracht een urenstaat in met 1342 uren, vrijwel geheel bestaande uit Statenlidactiviteiten. Het hof oordeelde dat het inhoudelijke werk als Statenlid te ver verwijderd stond van de onderneming om deze uren toe te rekenen.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat de Inspecteur geen standpunt had ingenomen dat het urencriterium was gehaald en elk belastingjaar zelfstandig wordt beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.