Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en gescheiden door de rechtbank. De rechtbank bepaalde onder meer de toedeling van de echtelijke woning aan de man en stelde de waarde daarvan vast op €220.000. De vrouw betwistte deze waardering en verzocht het hof om schorsing van de werking van de beschikking.
Het hof overwoog dat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing had gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waardoor een belangenafweging tussen partijen moest plaatsvinden. De vrouw stelde dat zij financieel nadeel zou ondervinden bij uitvoering van de beschikking en dat een nieuwe taxatie een hogere waarde zou aantonen. Het hof vond deze omstandigheden echter niet nieuw en onvoldoende zwaarwegend om schorsing te rechtvaardigen.
Daarnaast oordeelde het hof dat de vrouw onnodig procedeerde door niet mee te werken aan de toedeling van de woning en haar verzoek tot echtscheiding in hoger beroep in te trekken, waardoor zij misbruik van recht maakte. Daarom werd zij veroordeeld in de proceskosten van de man, vastgesteld op €1.611. De beschikking werd voor zover proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en veroordeelt de vrouw in de proceskosten van €1.611 wegens onnodig procederen.