Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde per 1 januari 2008 een vordering van € 1.073.186 te hebben op [N] C.V., een commanditaire vennootschap waarin zij deelnam. In haar aangifte vennootschapsbelasting over 2008 nam zij een afwaardering van deze vordering van € 505.381 ten laste van het fiscale resultaat. De inspecteur accepteerde deze afwaardering niet en legde een aanslag vennootschapsbelasting op met een belastbaar bedrag van € 421.730.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens het hoger beroep overwoog het hof dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat haar debiteur, [N] C.V., haar vordering op een dochtervennootschap gerechtvaardigd had prijsgegeven. Dit bleek onder meer uit de jaarrekening van [N] C.V. waaruit bleek dat een grote schuld aan een dochtervennootschap deels was kwijtgescholden zonder toereikende verklaring.
Het hof concludeerde dat belanghebbende daardoor niet kon aantonen dat zij de vordering op [N] C.V. voor het volledige resterende bedrag ten laste van de winst mocht afwaarderen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.