AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Oproeping mede-erfgenamen in nalatenschapsgeschil voor procesvervolg
In deze civiele zaak staat een geschil centraal over het optreden van geïntimeerde in de nalatenschap van hun vader. Appellant vordert primair schadevergoeding wegens benadeling en subsidiair betaling aan de nalatenschap en de verdeling daarvan. Naast appellant en geïntimeerde zijn ook de zus en broer erfgenamen.
Het hof verwijst naar de eerdere vonnissen van de kantonrechter en baseert zich op vaste jurisprudentie dat een vordering tot verdeling van de nalatenschap een ondeelbare rechtsverhouding betreft waarbij alle betrokken erfgenamen partij moeten zijn. Daarom stelt het hof appellant in de gelegenheid om de zus en broer als mede-partijen te betrekken door middel van oproeping ex artikel 118 RvPro.
Het hof bepaalt dat bij de oproeping alle processtukken uit zowel de kantonrechterlijke als de hofprocedure moeten worden meegestuurd. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. Verder wijst het hof het meer of anders gevorderde in het incident af en houdt het de verdere beslissingen in de hoofdzaak aan tot overlegging van originele oproepingen en het eindarrest.
Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.
Uitkomst: Appellant wordt in de gelegenheid gesteld mede-erfgenamen als partij te betrekken en verdere beslissingen worden aangehouden tot het eindarrest.
verweerder in het incident, in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. C.I. Zaad,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
eiser in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.J. Drost.
1.De procedure bij de rechtbank
Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 14 november 2018 en 20 februari 2019, die de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.
2.De procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 mei 2019,
- de memorie van grieven, met producties,
- de memorie van antwoord tevens incidentele conclusie houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid, met producties, - de incidentele conclusie van antwoord.
2.2
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
3.De motivering van de beslissing in het incident
3.1
Partijen hebben een geschil over het optreden van [geïntimeerde] in de nalatenschap van hun vader [de vader] . Naast [appellant] en [geïntimeerde] waren ook [de zus] en [de broer] tot de nalatenschap gerechtigd. Samengevat vordert [appellant] primair betaling van schadevergoeding aan hem vanwege benadeling en subsidiair betaling van de schadevergoeding aan de nalatenschap en de verdeling van de nalatenschap.
3.2
Volgens vaste jurisprudentie is onder meer een vordering tot verdeling van de nalatenschap een vordering die voortvloeit uit een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn. Het hof zal [appellant] op grond van artikel 118 RvPro in de gelegenheid stellen om [de zus] en [de broer] als partij in het geding te betrekken, zodat zij hun standpunt met betrekking tot de vorderingen van [appellant] kenbaar kunnen maken.
3.3
Het hof houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. Het hof zal in de hoofdzaak verder iedere beslissing aanhouden.
4.De beslissing
Het hof, recht doende:
in het incident:
stelt [appellant] in de gelegenheid om [de zus] en [de broer] als deelgenoten in de nalatenschap van [de vader] in het geding te betrekken door oproeping op grond van artikel 118 RvPro – met inachtneming van de voor dagvaarding geldende termijnen – tegen de roldatum van 21 januari 2020;
bepaalt dat bij deze oproeping de afschriften van alle processtukken met producties van zowel de procedure bij de kantonrechter als de procedure bij dit gerechtshof, waaronder een afschrift van dit arrest, aan [de zus] en [de broer] dienen te worden meebetekend;
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;
wijst het meer of anders in het incident gevorderde af;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de roldatum van 21 januari 2020voor het overleggen door [appellant] van de originele exemplaren van de oproepingen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, L.J. de Kerpel-van de Poel en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.