Partijen sloten in 2003 een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een woning, waarbij geschillen over bouwgebreken via arbitrage moesten worden beslecht. Na eerdere arbitrale procedures en een vaststellingsovereenkomst ontstond een nieuw geschil over lekkages aan de woning. In 2016 startten partijen een nieuwe arbitrale procedure.
De arbiter verklaarde zich bevoegd en veroordeelde [Appellant] tot betaling aan [Geïntimeerden]. [Appellant] vorderde vernietiging van het arbitraal vonnis wegens onder meer onvoldoende motivering, het buiten beschouwing laten van een beroep op verjaring, en schending van het hoor en wederhoor-beginsel.
Het hof oordeelt dat het beroep op verjaring niet duidelijk in de arbitrageprocedure is aangevoerd, maar staat bewijslevering toe om dit te onderbouwen. De overige klachten, zoals late ontvangst van de memorie van eis en het ontbreken van een termijn voor dupliek, worden verworpen omdat [Appellant] voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunt te verduidelijken.
Het hof benadrukt de terughoudendheid bij vernietiging van arbitrale vonnissen en wijst erop dat het niet bevoegd is om inhoudelijk over het geschil te oordelen. Verdere beslissing wordt aangehouden totdat bewijs over het beroep op verjaring is geleverd.