Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze arbeidszaak stond de vraag centraal of het ontslag van de werknemer kennelijk onredelijk was. De werknemer stelde dat het ontslag gebaseerd was op een onjuiste, voorgewende reden en dat de gevolgen van het ontslag voor haar te ernstig waren in verhouding tot het belang van de werkgever. Het hof oordeelde dat geen bewijs was geleverd voor een voorgewende of valse reden, maar dat het gebruik van de ontslagvergunning onredelijk was omdat de financiële cijfers waarop deze was gebaseerd onjuist bleken.
De werknemer was 49 jaar oud en had door het ontslag aanzienlijke inkomens- en pensioenschade geleden. De werkgever had geen inspanningen verricht om herplaatsing binnen of buiten het bedrijf mogelijk te maken. De jaarrekening toonde een winst in plaats van het aanvankelijk opgegeven verlies, waardoor het ontslag niet onvermijdelijk was. Het hof concludeerde dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te ernstig waren in verhouding tot het belang van de werkgever.
De kantonrechter had een vergoeding van €29.000 toegekend, maar het hof stelde deze vast op €26.468,60, gebaseerd op inkomensderving en pensioenschade tot 1 juli 2015, de vermoedelijke datum van beëindiging van het dienstverband. Het hof wees ook de kostenveroordelingen toe en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad. Het hoger beroep van de werkgever werd grotendeels afgewezen, terwijl het incidenteel hoger beroep van de werknemer deels slaagde.
Uitkomst: Het ontslag is kennelijk onredelijk verklaard en werknemer krijgt een vergoeding van €26.468,60 plus wettelijke rente.