SNS Bank verstrekte aan de schuldenaar een hypothecaire geldlening met pand- en hypotheekrechten op diens woning. Na toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd de woning verkocht via parate executie door SNS Bank, waarbij de opbrengst werd toegerekend volgens de imputatieregel uit de algemene voorwaarden en het BW.
De bewindvoerder betwistte een deel van de vordering, stellende dat vanaf de schuldsaneringsdatum geen rente meer verschuldigd was. De rechtbank wees de vordering van SNS Bank af, maar het hof oordeelde dat de schuldsaneringsregeling niet werkt ten aanzien van door pand en hypotheek gedekte vorderingen zolang de zekerheden niet zijn uitgewonnen.
Het hof bevestigde dat de imputatieregel ook bij executie van toepassing is en dat de verschenen rente tot aan de uitwinning opeisbaar is gebleven. De vordering van SNS Bank werd daarom erkend tot € 175.245,11, inclusief het betwiste bedrag van € 20.020,72. De bewindvoerder werd veroordeeld in de kosten van beide instanties.