Uitspraak
in eerste aanleg: verweerster,
in eerste aanleg: verzoeker,
1.1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.2. De beoordeling in hoger beroep
3.5.1 Bij de behandeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.
Verder wordt in het tweede lid van dit artikel geregeld onder welke cumulatieve voorwaarden artikel 7:673d BW van toepassing is.Het is aan de werkgever die gebruik maakt van de mogelijkheid om een lagere transitievergoeding te betalen om aan te tonen dat aan deze voorwaarden voldaan is.In de eerste plaats (onderdeel a) moet worden aangetoond dat over de drie voorafgaande boekjaren het netto resultaat van de onderneming van de werkgever kleiner is geweest dan nul. Het gaat dan om de boekjaren gelegen voor het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de enkelvoudige jaarrekeningen over de afgelopen drie boekjaren en de winst- en verliesrekening. (…) In de tweede plaats dient binnen de onderneming van de werkgever sprake te zijn van een negatief eigen vermogen (onderdeel b), dat wil zeggen dat waarde van de activa van de onderneming kleiner zijn dan de waarde van de passiva van de onderneming. Het gaat daarbij om het eigen vermogen dat is vastgesteld conform de regels die daaromtrent worden gesteld in het Besluit modellen jaarrekening. Ten slotte moeten de vlottende activa binnen de onderneming van de werkgever per het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, kleiner zijn dan de kortlopende schulden (onderdeel c). Naar bedrijfseconomische maatstaven is van een dergelijke slechte liquiditeitspositie sprake als de zogenoemde current ratio minder dan 1 is.’ (onderstreping hof).
Het hof is, met [Geïntimeerde] , van oordeel dat niet is aangetoond dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor toepassing van de Overbruggingsregeling. Daarbij wordt opgemerkt dat [Appellant] ook geen onderliggende bescheiden heeft overgelegd waaruit kan blijken dat de gedeponeerde cijfers inderdaad onjuist zijn, in die zin dat daaruit ten onrechte niet blijkt dat de waarde van de vlottende activa per 31 december 2015 kleiner is dan de waarde van de kortlopende schulden. Hiermee faalt grief 3.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en op
€ 1.518,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief I in hoger beroep).