Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Ontvanger)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een schoonmaakbedrijf, maakte bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van een dwangbevel dat verband hield met een naheffingsaanslag loonheffingen over 2011. De naheffingsaanslag was opgelegd na een boekenonderzoek waarin sprake was van fictieve werknemers en onjuiste loonadministratie. De Ontvanger had de aanslag direct invorderbaar verklaard vanwege gegronde vrees voor verduistering en een dwangbevel betekend met kosten van € 11.599.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en belanghebbende ging in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat de Invorderingswet geen aparte procedure kent voor betwisting van versnelde invordering, maar dat de rechtmatigheid daarvan volledig kan worden getoetst in een civiele verzetsprocedure. De belastingrechter moet uitgaan van rechtmatigheid tenzij sprake is van evident onrechtmatigheid, wat hier niet het geval was gezien het anti-fiscale gedrag van belanghebbende.
Belanghebbende stelde dat zij niet in gebreke was omdat zij geen uitstel had gekregen en niet tijdig kennis kon nemen van de aanslag. Het Hof verwierp dit, omdat de deurwaarder haar twee dagen betaaltermijn gaf en de bestuurder op de dag van betekening kennis had van de aanslag. Ook werd geoordeeld dat vernietiging van het dwangbevel tot verval van kosten leidt en dat de keuze van de Ontvanger voor versnelde invordering niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Ten slotte stelde belanghebbende dat de hoogte van de aanslag ook in de kostenprocedure getoetst moet worden, maar het Hof vond dat alleen een marginale toetsing van de aanslag vereist is, en dat de aanslag niet evident onjuist was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de kosten van het dwangbevel terecht zijn opgelegd en verklaart het hoger beroep ongegrond.