ECLI:NL:HR:2020:1277

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2020
Publicatiedatum
14 juli 2020
Zaaknummer
19/02717
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 onderdelen b en d Invorderingswet 1990Art. 15 Invorderingswet 1990Art. 1 Kostenwet invordering rijksbelastingenArt. 4:117 AwbArt. 4:122 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid kosteninvordering na betekening naheffingsaanslag

Belanghebbende, een B.V., kreeg op 13 december 2016 een naheffingsaanslag loonheffingen over 2011 betekend, samen met een dwangbevel waarin kosten van €11.599 werden opgelegd. Belanghebbende stelde dat zij niet in de gelegenheid was geweest om de aanslag te betalen op het moment van betekening, waardoor zij niet in gebreke kon zijn.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende uiterlijk om 13:30 uur op die dag kennis had genomen van de aanslag en nog bijna twee dagen had om te betalen, zodat de kosten terecht in rekening konden worden gebracht. De vermelding van kosten op het dwangbevel vooraf was volgens het hof toegestaan ter naleving van artikel 4:122 Awb Pro.

In cassatie betoogde belanghebbende dat zij niet in gebreke was omdat zij niet direct kon betalen bij betekening. De Hoge Raad verwierp dit middel, verwijzend naar een recent arrest (ECLI:NL:HR:2020:1200) en stelde dat het hof terecht had geoordeeld dat belanghebbende voldoende tijd had om te betalen voordat de kosten definitief werden opgelegd.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep ongegrond. Hiermee is bevestigd dat de invordering van kosten bij een dwangbevel na betekening van een naheffingsaanslag rechtmatig kan plaatsvinden, ook als de belastingplichtige direct bij betekening niet kan betalen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de kosten van het dwangbevel terecht zijn opgelegd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/02717
Datum17 juli 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2019, nr. 18/00302, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/2264) betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
De belastingdeurwaarder heeft op 13 december 2016 om 9.30 uur aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonheffingen over het jaar 2011 betekend. Op het aanslagbiljet is vermeld dat de betaaltermijn van veertien dagen na dagtekening niet van toepassing is, maar dat de aanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is op grond van artikel 10, lid 1, letters b en e, Invorderingswet 1990.
2.1.2
Op hetzelfde tijdstip is een dwangbevel aan belanghebbende betekend in verband met die naheffingsaanslag. Op het formulier van het dwangbevel is vermeld dat de kosten daarvan € 11.599 bedragen en dat die kosten niet verschuldigd zijn als binnen twee dagen de openstaande belastingschuld wordt betaald.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de in 2.1.2 vermelde kosten terecht in rekening zijn gebracht. Belanghebbende betoogde dat zij op 13 december 2016 niet in de gelegenheid is geweest kennis te nemen van de naheffingsaanslag zodat niet kan worden gezegd dat zij in gebreke was met betaling van de aanslag.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende uiterlijk op 13 december 2016 om 13.30 uur heeft kennisgenomen van de eerder die dag betekende naheffingsaanslag en toen nog iets minder dan twee dagen de tijd had om de aanslag te betalen, en dat belanghebbende aldus voldoende gelegenheid had die aanslag te betalen. Dat de kosten op voorhand op het dwangbevel staan vermeld, vormt geen belemmering omdat dit is gedaan om te voldoen aan artikel 4:122 Awb Pro. Of betaling binnen twee dagen moet worden gezien als een opschortende of ontbindende voorwaarde is niet relevant. Doorslaggevend is dat belanghebbende enige tijd is gegund voordat de kosten definitief in rekening werden gebracht
,aldus het Hof.
2.3
Tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich het vierde middel met het betoog dat de kosten niet in rekening mochten worden gebracht omdat belanghebbende op het moment van betekenen niet in de gelegenheid is geweest de aanslag te betalen zodat zij niet in gebreke was.
2.4
Het middel faalt op grond van de rechtsoverwegingen 2.4.1 tot en met 2.4.5 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/00082, ECLI:NL:HR:2020:1200, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.5
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2020.