Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2019:4432

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
23 mei 2019
Zaaknummer
200.248.150
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 lid 1 RvArt. 332 lid 2 RvArt. 1019h RvArt. 237 RvArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet behalen appelgrens in IE-inbreukzaak

In deze intellectuele eigendomsrechtzaak vorderde appellant een verklaring voor recht en een schadevergoeding van € 630 wegens vermeende inbreuk op auteurs- en persoonlijkheidsrechten door Stichting The Highlands Foundation c.s. De kantonrechter wees de vorderingen toe. In hoger beroep stelde appellant dat de appelgrens van € 1.750 niet was bereikt en beriep zich op niet-ontvankelijkheid van SHF c.s. Het hof oordeelde dat de verklaring voor recht geen zelfstandige waarde vertegenwoordigt naast de schadevergoeding en dat de appelgrens daarom niet werd gehaald.

Daarnaast was in geschil of de proceskostenveroordeling van € 2.972,03 uit eerste aanleg meegeteld moest worden bij de appelgrens. Het hof stelde vast dat alleen die component van de proceskosten die als aanvullende schadevergoeding kan worden aangemerkt meetelt, maar SHF c.s. had onvoldoende onderbouwd welk deel dat zou zijn. Daarom telde het hof de proceskosten niet mee.

Het hof verklaarde SHF c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hen in de kosten van het hoger beroep, mede omdat zij ondanks waarschuwingen het hoger beroep hadden ingesteld terwijl het belang onder de appelgrens bleef. De kosten werden vastgesteld op € 318 griffierecht en € 1.197 salaris advocaat.

Uitkomst: SHF c.s. wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het niet behalen van de appelgrens van € 1.750.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.248.150
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 6522690)
arrest in het incident van 21 mei 2019
in de zaak van
[Appellant] , handelend onder de naam [Firma],
wonende te [Woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak, eiser in het incident,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [Appellant] ,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
tegen:

1.De stichting Stichting The Highlands Foundation,

gevestigd te Nijmegen,
2.
[Geïntimeerde 2],
wonende te [Woonplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak, verweerders in het incident,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: SHF c.s.,
advocaat: mr. H.A. Schenke.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
10 januari 2018 en 4 juli 2018 die de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 oktober 2018;
- de memorie van grieven;
- de akte incident niet-ontvankelijkheid van [Appellant] ;
- de conclusie van antwoord in het niet-ontvankelijkheidsincident van SHF c.s.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident
aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in het incident

3.1
Tussen partijen is in geschil of SHF c.s. inbreuk heeft gemaakt op auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [Appellant] met betrekking tot publicatie van een luchtfoto en of zij daarom schadevergoeding dient te betalen aan [Appellant] . Kort samengevat heeft [Appellant] in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat SHF c.s. inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijksheidsrechten van [Appellant] en veroordeling gevorderd van SHF c.s. tot het betalen van schadevergoeding ter hoogte van € 630,00, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede veroordeling van SHF c.s. in de proceskosten van het geding ex artikel 1019h Rv en de nakosten. Bij vonnis van 4 juli 2018 heeft de kantonrechter de vorderingen van [Appellant] toegewezen.
3.2
Bij dagvaarding van 2 oktober 2018 is SHF c.s. in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter. Nadat de memorie van grieven door SHF c.s. is genomen, heeft [Appellant] zich bij incidentele akte beroepen op de niet-ontvankelijkheid van SHF c.s. met veroordeling van SHF c.s. in de volledige kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep op grond van primair artikel 1019h Rv en subsidiair artikel 237 Rv Pro. [Appellant] stelt zich op het standpunt dat SHF c.s. niet-ontvankelijk is omdat de vorderingen waarover de rechter in eerste aanleg had te oordelen de wettelijke appelgrens van € 1.750,00 niet halen. SHF c.s. heeft dit betwist en concludeert tot ontvankelijkheid in het hoger beroep.
3.3
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 332 lid 1 Rv Pro bepaalt dat partijen in hoger beroep kunnen komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,00 of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigd dan € 1.750,00. Artikel 332 lid 2 Rv Pro bepaalt dat indien de zaak meer dan één vordering tussen dezelfde partijen betreft, voor toepassing van het eerste lid beslissend is het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen.
3.4
Tussen partijen is allereerst in geschil of de verklaring voor recht die in eerste aanleg door [Appellant] is gevorderd van onbepaalde waarde is, mede gelet op de daarnaast gevorderde schadevergoeding van € 630,00, en of de appelgrens van € 1.750,00 daarom is behaald. [Appellant] stelt dat de verklaring voor recht en de schadevergoeding samenvallen en de appelgrens daarom niet is behaald. SHF c.s. voert aan dat, omdat de verklaring voor recht de hoofdvordering van [Appellant] is en de schadevergoeding een daarvan afgeleide vordering, per saldo sprake is van een vordering van onbepaalde waarde zodat de appelgrens is behaald.
3.5
Het hof volgt SHF c.s. hierin niet. De gevorderde verklaring voor recht kan niet los van of als ‘hoofdvordering’ worden gezien ten opzichte van de daarop gebaseerde vordering tot schadevergoeding van € 630,00. Op grond van vaste rechtspraak vertegenwoordigt de verklaring voor recht in een geval als het onderhavige geen afzonderlijke waarde. Beide vorderingen hebben namelijk betrekking op dezelfde rechtsvraag, namelijk of SHF c.s. inbreuk heeft gemaakt op auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [Appellant] en daarom aansprakelijk is. Daardoor valt de waarde van de verklaring voor recht van [Appellant] samen met het beloop van de vordering tot betaling van het bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 630,00 (vgl. HR 8 februari 2008 ECLI:NL:HR:2008:BB7032, HR 12 mei 1995 ECLI:NL:HR:1995:ZC1726, NJ 1995/514). Dat de (mogelijke) inbreuk op rechten door SHF c.s. wellicht tot gevolg heeft (gehad) dat derden op hun beurt weer inbreuk maken of hebben gemaakt op rechten van [Appellant] en de gevorderde verklaring voor recht volgens SHF c.s. daarom een ‘repeterend’ karakter heeft, maakt dit niet anders. Bepalend voor de vraag of de appelgrens is behaald, is de waarde van de vordering waarover de rechter in eerste aanleg, eventueel na wijziging van eis, heeft moeten oordelen. Nu [Appellant] in eerste aanleg niets heeft gevorderd met betrekking tot eventuele andere inbreuken, speelt het door SHF c.s. gestelde repeterende karakter van de verklaring van recht – wat daar ook van zij – geen rol.
3.6
Tussen partijen is voorts in geschil of de proceskosten ad € 2.972,03 waarin de kantonrechter SHF c.s. in eerste aanleg op grond van art. 1019h Rv heeft veroordeeld, moeten worden meegeteld bij de beoordeling of de appelgrens is behaald. SHF c.s. heeft aangevoerd dat dit het geval is omdat de proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv mede een element van aanvullende schadevergoeding omvat die moet worden meegeteld.
3.7
Hoofdregel is dat bij beantwoording van de vraag of de in artikel 332 lid 1 Rv Pro genoemde appelgrens is bereikt, met de vordering tot veroordeling in de proceskosten geen rekening wordt gehouden (HR 19 maart 1933, NJ 1933/1032 en HR 24 februari 1938,
NJ 1938/952). Dit geldt ook voor de proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv voor zover de daarin vervatte kosten zien op proceskosten zoals bedoeld in artikel 237 Rv Pro e.v., zoals kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. De proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv kan echter ook kosten omvatten die vóór de implementatie van Richtlijn 2004/48/EG in intellectuele eigendomszaken op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking kwamen. Indien dat het geval is, telt die component van de proceskostenveroordeling naar oordeel van het hof wel mee voor de beoordeling of de wettelijke appelgrens in hoger beroep is behaald. Het hof gaat ervan uit dat de door de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5.4 van zijn arrest van 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087 gegeven regel slechts toepasselijk is bij een geschil over de proceskosten na een ingetrokken kort geding.
3.8
[Appellant] stelt dat de in eerste aanleg toegewezen proceskostenveroordeling volledig ziet op kosten voor voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak en daarom niet mee kan tellen. SHF c.s. betwist dit. Zij voert aan dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg ook kosten omvat die het karakter hebben van aanvullende schadevergoeding. SHF c.s. beroept zich in dat kader op een andere berekening van de kosten dan voorgestaan door [Appellant] . Zij motiveert echter niet waarom van het door haar berekende minder hoge aantal uren moet worden uitgegaan en welke uren om welke reden niet zien op de voorbereiding van gedingstukken en instructie van de zaak. SHF c.s. licht ook niet toe welk concreet bedrag van de proceskosten dient mee te tellen voor de beoordeling van de appellabiliteit van het vonnis in eerste aanleg. De opmerking dat van de proceskostenveroordeling ‘
(…) het grootste gedeelte daarvan – na vermindering van dat bedrag met de opgevoerde kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak aan de zijde van [Appellant] – een hoger bedrag omvat dan het bedrag van € 1750,00 (…)’is daartoe onvoldoende. SHF c.s. heeft ter zake onvoldoende gesteld, waardoor het hof hieraan voorbij zal gaan.
3.9
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat de hoofdsom, de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte en rente boven de appelgrens uitkomen.

4.De slotsom

4.1
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de appelgrens niet is behaald. Het hof komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak en zal SHF c.s. niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
4.2
Omdat SHF c.s. niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal het hof SHF c.s. veroordelen in de kosten van het hoger beroep. [Appellant] heeft veroordeling gevorderd van SHF c.s. in de volledige kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 1.197,00 primair op grond van artikel 1019h Rv. Toewijsbaarheid van deze kosten wordt bepaald aan de hand van artikel 1019h Rv (HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:163). In de omstandigheid dat [Appellant] SHF c.s. vóór het aanhangig maken van het hoger beroep meermalen heeft gewaarschuwd dat het belang van de zaak onder de appelgrens bleef, maar SHF c.s. niettemin het hoger beroep aanhangig heeft gemaakt, ziet het hof aanleiding SHF c.s. te veroordelen tot vergoeding van de volledige door [Appellant] gevorderde proceskosten van € 1.197,00. De kosten voor het incident in hoger beroep aan de zijde van [Appellant] zullen worden vastgesteld op € 318,00 aan griffierecht en € 1.197,00 voor salaris advocaat.

5.De beslissing

Het hof, recht doende:
verklaart SHF c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2018 en
4 juli 2018;
veroordeelt SHF c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Appellant] vastgesteld op € 318,00 voor verschotten op en op € 1.197,00 voor salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, F.J. de Vries en C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2019.