ECLI:NL:GHARL:2019:4437
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bewindvoerder als formele procespartij in hoger beroep civiele zaak
In deze civiele procedure in hoger beroep staat de vraag centraal of appellant, wiens goederen onder bewind zijn gesteld, zelf bevoegd is om het hoger beroep te voeren. De kantonrechter had appellant veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige daad jegens geïntimeerde. Appellant ging in hoger beroep tegen dit vonnis.
Geïntimeerde stelde dat appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de goederen van appellant onder bewind staan en alleen de bewindvoerder bevoegd is om namens appellant op te treden in procedures die betrekking hebben op die goederen. De bewindvoerder had bovendien een betalingsregeling voorgesteld, waarmee de vordering erkend werd.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:438 en Pro 1:441 BW het beheer over onder bewind gestelde goederen tijdens het bewind toekomt aan de bewindvoerder, die ook in rechte optreedt als formele procespartij. De verklaring voor recht en de daarop gebaseerde veroordeling tot schadevergoeding zijn nauw verbonden met de onder bewind gestelde goederen, zodat de bewindvoerder formele procespartij moet zijn.
Het hof stelde appellant in de gelegenheid om de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen en zijn standpunt kenbaar te maken. Indien de bewindvoerder niet verschijnt of het geding niet wil overnemen, zal appellant niet-ontvankelijk worden verklaard. De verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: Appellant wordt in de gelegenheid gesteld de bewindvoerder op te roepen; bij afwezigheid zal appellant niet-ontvankelijk worden verklaard.