ECLI:NL:GHARL:2019:5979

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juli 2019
Publicatiedatum
23 juli 2019
Zaaknummer
19/00056
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:17 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late griffierechtbetaling

Belanghebbende diende verzet in tegen de uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer van het Hof, waarin zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late betaling van het griffierecht. De gemachtigde van belanghebbende stelde dat de griffierechtnota niet correct was geadresseerd en onvoldoende informatie bevatte om het griffierecht zonder discussie te voldoen.

Het Hof oordeelde dat de griffierechtnota wel degelijk duidelijk maakte op welke zaak deze betrekking had, met vermelding van het zaaknummer en de partijen. Hoewel het adres van het WOZ-object ontbrak, schrijft de Algemene wet bestuursrecht niet voor dat dit op de nota moet staan. De correspondentie was conform de wettelijke eisen naar de gemachtigde verzonden.

Daarom is het verzet ongegrond verklaard. Het risico dat belanghebbende het griffierecht niet tijdig betaalde vanwege de vorm van de nota, komt voor zijn rekening. Het Hof zag geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens te late betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 19/00056
uitspraakdatum: 23 juli 2019
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[X] te [Z](hierna: belanghebbende)

1.De uitspraak waarvan verzet

1.1.
Het verzetschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 24 april 2019. Het richt zich tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof, verzonden op 16 april 2019, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2018.
1.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Het verzet is met toestemming van belanghebbende tegelijkertijd behandeld met een aantal andere verzetzaken van de gemachtigde van belanghebbende. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.De feiten

2.1.
Het hogerberoepschrift is ontvangen ter griffie van het Hof.
2.2.
De gemachtigde van belanghebbende is diverse malen uitgenodigd (nota en per aangetekende post verzonden herinnering) het griffierecht te betalen. In de brieven wordt erop gewezen dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig wordt overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening, belanghebbende het risico loopt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. In de brieven staan in de rechter kantlijn de volgende gegevens:

Kenmerk van uw zaak:
BK-ARN 19/00056
[X] vs B&W Utrecht
Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden”
2.3.
Op 25 maart 2019 – buiten de in de herinnering van 24 februari 2019 gestelde termijn van vier weken – is € 10 bijgeschreven op de desbetreffende bankrekening.
2.4.
Bij de in verzet bestreden uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof is belanghebbendes hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3.
De gronden van het verzet
De gemachtigde van belanghebbende voert in verzet aan dat geen correct geformuleerde griffierechtnota is ontvangen. Daarvan is, aldus de gemachtigde van belanghebbende, pas sprake indien de nota op naam is gesteld van de belanghebbende (eventueel met als postadres het adres van de gemachtigde) en op de nota het adres van het WOZ-object is vermeld. Alleen dan is voor belanghebbende duidelijk op welke zaak de nota betrekking heeft en kan de gemachtigde het griffierecht zonder discussie in rekening brengen.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De door de gemachtigde aangevoerde verzetsgrond mist deels feitelijke grondslag. In de voor de onderhavige zaak verstuurde brieven (zie 2.2.) staat immers vermeld voor welke zaak deze zijn verstuurd (het zaaknummer dat het Hof aan het hoger beroep heeft toegekend) en wie de partijen zijn (onder wie belanghebbende). Het enige door de gemachtigde verlangde gegeven dat ontbreekt, is het adres van het WOZ-object. De Awb schrijft niet voor op welke wijze de nota moet worden opgemaakt of welke gegevens daarop vermeld dienen te worden. Met behulp van de hiervoor genoemde gegevens op de nota is het voor de gemachtigde mogelijk het griffierecht aan de juiste belanghebbende en aan het juiste WOZ-object toe te rekenen. Uit de nota is dan ook duidelijk op te maken op welke zaak deze betrekking heeft.
4.2.
De griffierechtnota, alsmede overige correspondentie die betrekking heeft op deze zaak, zijn conform artikel 6:17, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzonden naar de gemachtigde (vgl. HR 22 november 2002, nr. 37.712, ECLI:NL:HR:2002:AF0961). In de brief die ook wel wordt aangeduid als de griffierechtnota is vermeld dat in verband met het indienen van een beroepschrift griffierecht verschuldigd is. Daarbij is het unieke, aan de gemachtigde en belanghebbende kenbaar gemaakte kenmerk (zaaknummer) behorend bij dat beroepschrift vermeld, alsmede de naam van de betrokken partijen (belanghebbende en het bestuursorgaan). Verder vermeldt de griffierechtnota de hoogte van het verschuldigde griffierecht, op welke datum het griffierecht uiterlijk dient te zijn bijgeschreven, naar welk rekeningnummer het griffierecht overgemaakt dient te worden, wat de tenaamstelling van dit rekeningnummer is en welk betalingskenmerk bij de overboeking dient te worden vermeld. Ten slotte is gewezen op de mogelijke gevolgen van niet (tijdige) betaling van het griffierecht, te weten niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Naar ’s Hofs oordeel is op deze wijze op correcte wijze uitvoering gegeven aan artikel 8:41, vierde lid, van de Awb. Belanghebbendes stelling, inhoudende dat een op naam van de belanghebbende gestelde griffierechtnota dient te worden verzonden, al dan niet onder vermelding van (het) specifieke in geschil zijnde WOZ-object(en), vindt geen steun in het recht. De omstandigheid dat belanghebbende alleen in staat of bereidwillig is het griffierecht (tijdig) te voldoen als beschikt kan worden over een dergelijke griffierechtnota, dient voor rekening en risico van belanghebbende te blijven.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het verzet ongegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op 23 juli 2019 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (R.A.V. Boxem)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 juli 2019
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.