Appellant vorderde betaling van salaris over de periode van 12 juli tot en met 18 oktober 2011, stellende dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor geïntimeerde had verricht. Geïntimeerde betwistte het bestaan van deze arbeidsovereenkomst en stelde dat het restaurant was verpacht aan een derde, die de arbeidsovereenkomst met appellant was aangegaan.
Het hof heeft appellant bewijsopdrachten verstrekt, waaronder het leveren van bewijs dat geïntimeerde daadwerkelijk werkzaamheden aan appellant had opgedragen en dat de arbeidsovereenkomst met de derde een schijnconstructie was. Appellant heeft onder meer een brief overgelegd die hij aanvoerde als bewijs, maar de echtheid van de handtekening van geïntimeerde werd stellig betwist en appellant heeft geen deskundigenonderzoek laten uitvoeren om de echtheid te bewijzen.
Getuigenverklaringen en overgelegde stukken boden onvoldoende bewijs dat appellant in de betreffende periode (nagenoeg) dagelijks werkzaamheden voor geïntimeerde heeft verricht. Ook de verklaring van de derde partij die de arbeidsovereenkomst had getekend, was niet overtuigend. Bovendien was appellant in oktober 2011 een WW-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht, wat niet verenigbaar is met zijn stelling.
Gelet op het ontbreken van overtuigend bewijs is het hof van oordeel dat appellant niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Het bestreden vonnis wordt daarom bekrachtigd en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.