ECLI:NL:GHARL:2019:6018
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst wegens vermeende werkweigering en geschil over billijke vergoeding
De zaak betreft een hoger beroep tegen de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst van verzoekster, die samen met haar echtgenoot als stuurvrouw en schipper werkte op een binnenvaartschip. De ontbinding werd ingesteld in afwachting van een onderzoek naar de dringende reden voor ontslag op staande voet wegens vermeende werkweigering.
Verzoekster en haar echtgenoot hadden vanaf de start van de werkzaamheden klachten over gebreken aan het schip, waaronder een defect roerblok en problemen met de automatische piloot. Fositrans, de werkgever, betwistte de ernst van deze klachten en stelde dat het schip veilig was. Op 25 juli 2018 werd verzoekster en haar echtgenoot op staande voet ontslagen wegens werkweigering nadat zij zich ziek hadden gemeld.
De kantonrechter ontbond vervolgens de arbeidsovereenkomst op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) met ingang van 1 februari 2019, maar het hof stelt in hoger beroep dat deze ontbinding onterecht is omdat de kantonrechter niet gelijktijdig heeft beslist over het ontslag op staande voet en de ontbinding, wat volgens de Hoge Raad onwenselijk is. Het hof overweegt dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is en houdt de zaak aan voor verdere beslissing over de billijke vergoeding, die het hof voorlopig heeft begroot op €4.780,- bruto.
Het hof benadrukt het belang van gelijktijdige behandeling van beide verzoeken en wijst erop dat de aanspraak op billijke vergoeding afhankelijk is van het uiteindelijke oordeel over het ontslag op staande voet. De zaak wordt aangehouden totdat duidelijk is welk scenario zich voordoet, met de mogelijkheid tot samenvoeging van procedures of een regeling tussen partijen.
Uitkomst: De voorwaardelijke ontbinding is onterecht en de zaak wordt aangehouden voor verdere afhandeling van de billijke vergoeding in afwachting van het oordeel over het ontslag op staande voet.