Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Almelo(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een fiscale eenheid, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak april tot en met juni 2015. Deze aanslag hield verband met de overdracht van registergoed aan een derde, waarbij sprake was van een optie voor belaste levering. De inspecteur handhaafde de aanslag na bezwaar, waarna belanghebbende in beroep ging bij de rechtbank Gelderland, die het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof de vraag of de inspecteur de omzetbelasting bij belanghebbende kon naheffen, gezien het feit dat de verschuldigdheid pas achteraf bleek en belanghebbende de belasting niet op aangifte kon voldoen. Belanghebbende voerde aan dat er geen formele grondslag voor naheffing was en dat de naheffingsaanslag materieel gebrekkig was.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse regelgeving in overeenstemming is met de Btw-richtlijn en dat de inspecteur bevoegd is de naheffingsaanslag op te leggen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De herzienings-btw wordt verschuldigd op het moment van de levering, ook als de niet-naleving van de voorwaarden pas later blijkt. Het hof verwierp het beroep op het arrest Imofloresmira en benadrukte dat belanghebbende rekening had gehouden met het risico van niet-naleving, zoals blijkt uit de bankgarantie.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting en verklaart het hoger beroep ongegrond.