ECLI:NL:GHARL:2019:7070

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 augustus 2019
Publicatiedatum
2 september 2019
Zaaknummer
200.200.476
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 BWArt. 7:380 lid 1 sub e BWTitel 7.5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bewijslevering en kwalificatie van pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd

In deze zaak stond centraal of de pachtverhouding tussen partijen gekwalificeerd kon worden als een geliberaliseerde pachtovereenkomst en of verpachter kon bewijzen dat telkens reguliere pachtovereenkomsten voor de duur van een jaar waren aangegaan. Het hof overwoog dat de pachtverhouding niet als geliberaliseerd kon worden aangemerkt en liet verpachter toe bewijs te leveren voor zijn stellingen.

Verpachter heeft echter alleen zichzelf als getuige gehoord, wat onvoldoende bewijs opleverde omdat er geen aanvullende sterke bewijzen waren die zijn verklaring geloofwaardig maakten. Hij stelde dat pachter jaarlijks vroeg om gebruik van de grond, dat pachtprijzen verhoogd werden en dat hij de grond wilde verkopen als pensioenvoorziening. Pachter betwistte deze stellingen gemotiveerd.

Het hof oordeelde dat verpachter niet geslaagd was in zijn bewijslevering. Ook de stelling dat pachter misbruik maakte van het pachtrecht door niet van de grond af te gaan, werd verworpen omdat de feiten onvoldoende zwaarwegend waren en pachter het voornemen tot verkoop betwistte. Het hof bekrachtigde het vonnis van de pachtkamer en veroordeelde verpachter in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer en wijst het hoger beroep van verpachter af wegens onvoldoende bewijs van jaarpachtovereenkomsten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.200.476
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4616561)
arrest van de pachtkamer van 27 augustus 2019
inzake
[verpachter],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,
hierna: [verpachter] ,
advocaat: mr. P. Stehouwer,
tegen:
[pachter],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna: [pachter] ,
advocaat: mr. S.G. Rissik.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 september 2018 hier over.
1.1
Het verdere verloop blijkt uit:
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 januari 2019.
1.2
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1
In voormeld tussenarrest heeft het hof overwogen dat de pachtverhouding tussen partijen niet kan worden gekwalificeerd als een geliberaliseerde pachtovereenkomst. Het hof heeft [verpachter] vervolgens toegelaten tot bewijs van zijn stelling dat partijen telkens reguliere pachtovereenkomsten voor de duur van een jaar zijn aangegaan, in het bijzonder:
• dat [pachter] hem jaarlijks vroeg of hij de grond weer mocht gebruiken;
• dat [verpachter] enkele keren aan het sluiten van de nieuwe pachtovereenkomst voor de duur van één jaar/teeltseizoen de voorwaarde heeft verbonden dat er een hogere pachtprijs moest worden betaald;
• dat de grond zijn pensioenvoorziening was en dat hij deze te gelegener tijd wenste te verkopen;
• feiten en omstandigheden waaruit blijkt, althans kan worden afgeleid, dat de grondgebruikersverklaring een voorovereenkomst was.
2.2
[verpachter] heeft alleen zichzelf als getuige doen horen. Zijn verklaring kan omtrent de door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledige bewijs (artikel 164 lid 2 BW Pro). Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigeverklaring voldoende geloofwaardig maken.
2.3
[verpachter] heeft verklaard dat [pachter] jaarlijks belde of hij de grond weer kon krijgen. Hij weet niet precies wanneer dat telkens was. Een einddatum voor het gebruik van de grond is nooit afgesproken, het was van jaar tot jaar. De pachtprijs is verhoogd van € 5.250, naar 4 jaar lang € 5.500, daarna € 6.500 en de laatste jaren € 7.500, en die werd betaald. [verpachter] heeft wel vier keer aan [pachter] gezegd dat hij de grond wilde verkopen voor zijn 65e omdat de grond zijn pensioenvoorziening was. [pachter] is in 2007 gekomen met een grondgebruiks-verklaring die hij nodig had voor de meststoffenwet. Daarover heeft [verpachter] verklaard: “Ik heb die verklaring toen getekend. Wat mij betreft ging het over de meststoffen. Ik had niet gedacht dat dit er allemaal uit zou voortkomen. Het was voor mij geen pachtcontract. Ik had dit beter niet kunnen tekenen.” In die grondgebruikersverklaring stond dat het gebruik zou voortduren ‘tot wederopzegging’. [verpachter] heeft daarover verklaard: “Ik heb vier jaar lang gezegd dat ik de grond zou gaan verkopen en dat hij van het land af moest. Dan heb ik toch opgezegd?”.
2.4
Naast deze verklaring zijn er geen aanvullende bewijzen, laat staan bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigeverklaring voldoende geloofwaardig maken. [pachter] heeft de te bewijzen stellingen in de procedure steeds gemotiveerd betwist. [verpachter] is daarom niet geslaagd in zijn bewijslevering.
2.5
Dan resteert nog de stelling van [verpachter] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [pachter] zich beroept op de dwingendrechtelijke bepalingen van pachtrecht. In de grieven VII en VIII licht [verpachter] toe dat hij zich niet voor lange duur wilde binden en dat hij bij het maken van de afspraak met [pachter] over het gebruik heeft verteld dat hij de grond vrij van pacht wilde verkopen op een voor hem gunstig moment. Door niet van de grond af te gaan handelt [pachter] in flagrante tegenspraak met die afspraak en maakt hij misbruik van pachtrecht. Verder voert [verpachter] aan dat hij in financiële problemen is: hij heeft nog geen AOW en de lijfrente is niet voldoende.
2.6
De aangevoerde feiten en omstandigheden zijn onvoldoende zwaarwegend om de dwingendrechtelijke bepalingen van titel 7.5 BW opzij te zetten. Daarbij komt dat [pachter] heeft betwist dat het voornemen tot verkoop met hem is besproken. [verpachter] heeft niet bewezen dat het anders is. Daarom kan niet worden gezegd dat [pachter] de afspraak schendt. Verder kan [verpachter] de grond verkopen aan een zogenoemde veilige verpachter (artikel
7:380 lid 1 sub e BW) om zijn financiële problemen op te lossen.
Slotsom
2.7
De grieven I en VI slagen, maar dit alleen kan niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Het hoger beroep faalt voor het overige, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [verpachter] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [pachter] zullen worden vastgesteld op € 314 aan griffierecht en op € 2.685 aan salaris advocaat (2,5 punten x tarief II).

3.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer te Groningen (rechtbank Noord-Nederland) van
2 augustus 2016;
veroordeelt [verpachter] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [pachter] vastgesteld op € 314 voor griffierecht en op € 2.685 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, J.H. Lieber en H.L. Wattel en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.