ECLI:NL:GHARL:2019:7360

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 september 2019
Publicatiedatum
10 september 2019
Zaaknummer
200.256.743
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie en ingangsdatum onderhoudsverplichting

Partijen zijn ouders van een kind geboren in 2007, waarbij het gezag gezamenlijk is en het kind bij de vrouw woont. De vrouw verzocht de rechtbank om vaststelling van kinderalimentatie van €451,72 per maand, maar de rechtbank stelde dit vast op €260 per maand met ingang van 18 december 2018.

De man ging in hoger beroep tegen de draagkrachtbeoordeling en verzocht om vernietiging van de beschikking en afwijzing van het verzoek tot vaststelling van €451,72. De vrouw kwam in incidenteel hoger beroep tegen de ingangsdatum van de alimentatieverplichting en verzocht deze te wijzigen naar 23 februari 2018, de datum van haar verzoekschrift.

Het hof oordeelde dat de man onvoldoende gegevens had verstrekt over zijn draagkracht, mede doordat hij niet aanwezig was bij de mondelinge behandeling ondanks aangeboden vervoer. Het hof volgde de rechtbank in de vaststelling van de kinderalimentatie van €260 per maand en stelde de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting vast op 23 februari 2018, omdat de man vanaf die datum rekening moest houden met de verplichting.

De grieven van de man faalden, terwijl de grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep slaagde. Het hof vernietigde het deel van de beschikking over de ingangsdatum en bepaalde dat de man vanaf 23 februari 2018 de vastgestelde bijdrage moet betalen, met terugwerkende kracht.

Uitkomst: De kinderalimentatie van €260 per maand wordt bekrachtigd en de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting vastgesteld op 23 februari 2018.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.256.743
(zaaknummer rechtbank Gelderland, 333669)
beschikking van 10 september 2019
inzake
[de man],
verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Grave,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.E. Bakker te Arnhem,
en
[de vrouw]
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.G.W. van Wees te Arnhem.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2018, verder: de bestreden beschikking, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 maart 2019;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 juli 2019 plaatsgevonden. Namens de man is zijn advocaat verschenen. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De man en de vrouw zijn de ouders van [kind] , verder te noemen: [kind] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] . In de bestreden beschikking zijn partijen gezamenlijk belast met het gezag uit over [kind] . [kind] woont bij de vrouw.
3.2
Bij verzoekschrift ingekomen bij de rechtbank op 23 februari 2018 heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man met ingang van dat moment € 451,72 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal voldoen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 18 december 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] (hierna ook: kinderalimentatie) € 260,- per maand telkens bij vooruitbetaling zal voldoen.
4.2
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover het de kinderalimentatie betreft) en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] van € 451,72 per maand af te wijzen, en die bijdrage vast te stellen op een in goede justitie te bepalen bedrag, en met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking.
4.3
De vrouw is met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Die grief ziet op de ingangsdatum. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep het verzoek van de man af te wijzen en de ingangsdatum van de kinderalimentatie te wijzigen in die zin dat de man die bijdrage dient te betalen met ingang van 23 februari 2018.
4.4
De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep
Kinderalimentatie
hoogte behoefte [kind]
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de geïndexeerde behoefte van [kind] in 2018 € 367,35 per maand bedraagt.
Draagkracht man
5.2
Het hof verwijst voor de beoordeling van de draagkracht van de man naar de rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 van de bestreden beschikking en maakt deze overwegingen, na eigen onderzoek tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
5.3
Het hof is gebleken dat de man sinds 7 mei 2019 gedetineerd is. De man is in de gelegenheid gesteld op de mondelinge behandeling in hoger beroep te verschijnen maar heeft ervoor gekozen geen gebruik te maken van het hem aangeboden vervoer naar de mondelinge behandeling bij het hof. Hierdoor heeft het hof de man niet kunnen bevragen omtrent de duur van zijn hechtenis en heeft de man niet de door het hof gewenste toelichting kunnen geven over zijn draagkracht, zijn inkomsten, zijn schulden en zijn vermogen. De keuze van de man om niet in persoon voor het hof te verschijnen dient voor zijn rekening te blijven.
5.4
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende gegevens heeft overgelegd om zijn draagkracht te kunnen beoordelen. Het hof gaat ook uit van de door de vrouw gestelde draagkracht van de man van € 451,72 per maand en de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 260,- per maand. De grieven van de man falen.
5.5
De vrouw verzoekt het hof als ingangsdatum van de onderhoudsverplichting 23 februari 2018 te hanteren, de datum van indiening van haar verzoekschrift in eerste aanleg.
De man verzoekt als ingangsdatum van de onderhoudsverplichting de datum van de beschikking van het hof als ingangsdatum te hanteren.
5.6
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. In dit geval zal het hof de ingangsdatum vaststellen op 23 februari 2018, omdat de man vanaf die datum ermee rekening moest houden dat hij aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] moest betalen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven in het principaal hoger beroep en slaagt de grief in het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende
in het principaal hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2018, voor zover daarbij is bepaald dat de man met ingang van 18 december 2018 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] dient te betalen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 23 februari 2018 de door de rechtbank Gelderland vastgestelde bijdrage van € 260,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Lieber en is op 10 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.