ECLI:NL:GHARL:2019:7370

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 september 2019
Publicatiedatum
10 september 2019
Zaaknummer
200.198.967
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:34 lid 1 BWArt. 3:34 lid 2 tweede zin BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid uiterste wilsbeschikking wegens wilsonbekwaamheid niet bewezen

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater zijn geregistreerde partner onterft, nietig is wegens wilsonbekwaamheid van de erflater. De appellante stelt dat de erflater op het moment van het opstellen van de uiterste wilsbeschikking leed aan een geestelijke stoornis die hem belette de belangen van zijn geregistreerde partner redelijk te waarderen.

Het hof heeft in een tussenarrest de appellante toegelaten tot bewijslevering en zij heeft dertien getuigen gehoord. De andere partijen hebben afgezien van tegengetuigenverhoor. Tijdens de comparitie van partijen is besproken of een medisch deskundigenbericht noodzakelijk is.

Het hof heeft de zaak verwezen naar een roldatum voor het indienen van een memorie na enquête en comparitie door appellante, waarna de andere partijen kunnen reageren. Het hof zal op basis van deze stukken beoordelen of het bewijs van wilsonbekwaamheid is geleverd en of een deskundigenbericht moet worden bevolen. De verdere beslissing is aangehouden.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere bewijsvoering en beoordeling van wilsonbekwaamheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.198.967
(zaaknummer rechtbank Gelderland 295583)
arrest van 10 september 2019
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [A] ,
appellante,
in eerste aanleg eiseres,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. A.O.C.A. van Schravendijk te Arnhem,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg gedaagde,
hierna: [geïntimeerde1] ,
advocaat mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen,
2.
[geïntimeerde2] ,
wonende te [B] ,
in eerste aanleg gedaagde,
niet verschenen,
hierna: [geïntimeerde2] ,
3.
[geïntimeerde3] ,
wonende te [B] ,
in eerste aanleg gedaagde,
niet verschenen,
hierna: [geïntimeerde3] ,
4.
[geïntimeerde4] ,
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg gedaagde,
hierna: [geïntimeerde4] ,
advocaat mr. M.J. Drost te Leusden.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 april 2018 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit de processen-verbaal van de zittingen van 28 augustus 2018, 13 december 2019 (getuigenverhoor) en 2 september 2019 (getuigenverhoor en comparitie van partijen):
1.3
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1
In het tussenarrest van 17 april 2018 is [appellante] toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat [C] op 2 december 2013 leed aan een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikkingen betrokken belangen van zijn geregistreerde partner belette (op de voet van artikel 3:34 lid 1 BW Pro).
2.2
In het getuigenverhoor heeft zij dertien getuigen doen horen. De andere partijen hebben afgezien van tegengetuigenverhoor. Aansluitend aan het getuigenverhoor heeft op
2 september 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden om in verband met het verzoek van [appellante] een medisch deskundige te benoemen te spreken over de persoon van deze deskundige (‘wie’) en de aan deze te stellen vragen (‘wat’). Het hof zal eerst – mede aan de hand van de getuigenverklaringen – beoordelen in hoeverre [appellante] is geslaagd in het bewijs van haar stelling en of het bevelen van een bericht van een deskundige nodig is.
2.3
Het hof zal de zaak daartoe eerst verwijzen naar de roldatum van 15 oktober 2019 voor het nemen van een memorie na enquête en comparitie door [appellante] , waarna de andere partijen de gelegenheid krijgen voor een antwoordmemorie na enquête en comparitie (roldatum 12 november 2019). Partijen kunnen zich in deze memorie uitlaten over de bewijswaardering, de vraag of het bevelen van een deskundigenbericht nodig is en de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen.
2.4
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de rol van 15 oktober 2019 voor het nemen van een memorie na enquête en comparitie aan de zijde van [appellante] ;
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.