ECLI:NL:GHARL:2019:8452

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 oktober 2019
Publicatiedatum
15 oktober 2019
Zaaknummer
200.263.861
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 421 lid 4 SvArt. 361 lid 2 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep benadeelde partij na vrijspraak verdachte

In deze zaak heeft de benadeelde partij in een strafrechtelijke procedure tegen de verdachte een vordering ingesteld. De politierechter sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde strafbare feit en wees de vordering van de benadeelde partij af. De benadeelde partij stelde vervolgens hoger beroep in op grond van artikel 421 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering.

Het hof overwoog dat op grond van artikel 361 lid 2 Sv Pro de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien de verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd, of bij toepassing van artikel 9a Sr. Nu de verdachte was vrijgesproken en geen straf of maatregel was opgelegd, was de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard door de politierechter.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring staat geen hoger beroep open. Het hof verklaarde daarom het hoger beroep van de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De benadeelde partij blijft vrij om haar vordering tot schadevergoeding aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vrijspraak van de verdachte zonder straf of maatregel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.263.861
(parket- en volgnummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 05-199451-17 en 3)
arrest van 15 oktober 2019
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. M.J. Hoogendoorn,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde] ,
niet verschenen.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 23 april 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 23 juli 2019,
- de akte inzake ontvankelijkheid van [appellant] .
2.2
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
[appellant] heeft in een strafrechtelijke procedure tegen [geïntimeerde] een vordering ingesteld als benadeelde partij. De politierechter heeft [geïntimeerde] vrijgesproken van het ten laste gelegde strafbare feit en de vordering van [appellant] afgewezen.
3.2
[appellant] heeft zijn hoger beroep van het vonnis van de politierechter gebaseerd op artikel 421 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna: Sv). Daaruit maakt het hof op dat het Openbaar Ministerie en/of [geïntimeerde] tegen het vonnis geen hoger beroep hebben ingesteld. Op grond van artikel 421 lid 4 Sv Pro kan de benadeelde partij in dat geval tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, in hoger beroep komen bij het gerechtshof. In dat geding zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering wordt door het gerechtshof afgewikkeld als ware zij ook in eerste aanleg door de civiele rechter beoordeeld.
3.3
De politierechter heeft de vordering van [appellant] kennelijk niet op inhoudelijke gronden afgewezen, maar vanwege de omstandigheid dat [geïntimeerde] is vrijgesproken van het ten laste gelegde strafbare feit. Immers, op grond van artikel 361 lid Pro 2, aanhef en onder a, Sv is de benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De afwijzing van de vordering van [appellant] door de politierechter moet daarom worden begrepen als een niet-ontvankelijkverklaring van die vordering.
Tegen deze beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring heeft de wet geen hoger beroep opengesteld (zie Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1688). In een bijzondere appelmogelijkheid, zoals die van artikel 421 lid 4 Sv Pro, behoeft ook niet te worden voorzien, nu zodanige niet-ontvankelijkverklaring de benadeelde partij niet berooft van de mogelijkheid haar vordering tot schadevergoeding aan de burgerlijke rechter (in het onderhavige geval de kantonrechter) voor te leggen.
3.4
Gelet op het voorgaande zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard zijn hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van de afwijzing van de vordering benadeelde partij in het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 23 april 2019.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, H. Wammes en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.