Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.De slotsom
€ 726,00
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De Ontvanger van de Belastingdienst had naheffingsaanslagen over de jaren 2006 tot en met 2009 opgelegd aan geïntimeerde, die deze niet betaalde. Na het uitvaardigen van dwangbevelen en het leggen van derdenbeslag, vorderde geïntimeerde vernietiging van het dwangbevel en ontheffing van betaling wegens verjaring van het recht tot dwanginvordering.
De rechtbank had de vorderingen toegewezen, omdat zij oordeelde dat de Ontvanger onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aanmaningen op het adres van geïntimeerde waren ontvangen of aangeboden. Het hof stelt in hoger beroep dat de Ontvanger voldoende bewijs heeft geleverd met onderzoeksrapporten waaruit blijkt dat de aanmaningen op 12 december 2014 ter verzending zijn aangeboden aan de postleverancier.
Het hof overweegt dat het vermoeden van ontvangst van een aanmaning geldt bij verzending naar het juiste adres, maar dat de belastingplichtige dit vermoeden kan ontzenuwen door aannemelijk te maken dat ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Geïntimeerde heeft dit niet voldoende gedaan. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het verzet ongegrond, wijst de vorderingen af en veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen af en oordeelt dat het recht tot dwanginvordering niet is verjaard.